Conclusie A-G Wattel 3 februari 2022, ECLI:NL:PHR:2022:100
Art. 16a Wet bpm voor en na wijziging van het belastbare feit per 1 januari 2022; overgangstermijn bij tariefwijziging, waarin bedrijfsvoorraadvergunninghouders nog pre-geregistreerde nieuwe auto’s met oud tarief kunnen verkopen en op naam stellen; ongelijke behandeling van gelijke auto’s? Belemmering vrij goederenverkeer? Feiten: De belanghebbende heeft 48 personenauto’s uit andere EU-lidstaten ingevoerd. Bij de inschrijving en tenaamstelling in het kentekenregister van de RDW heeft zij bpm voldaan ad in totaal € 211.633. Dertig auto’s waren in januari of februari 2017 al in de lidstaten van herkomst tot de openbare weg toegelaten. Zij zijn echter pas tussen medio 2017 en eind 2018 ingeschreven en op naam gesteld in Nederland. In geschil is of voor de 30 auto’s die in januari/februari 2017 al elders in de EU waren geregistreerd, het lagere 2016-tarief kan worden toegepast. De Rechtbank achtte het tarief 2017 van toepassing omdat de ingevoerde nieuwe auto’s – anders dan de voor het eerst in Nederland gekentekende nieuwe auto’s die in januari of februari 2017 bij de RDW op naam zijn gesteld - pas na juni 2017 bij de RDW op zijn naam gesteld, dus niet in de eerste twee maanden van 2017. De rechtbank heeft zich daarbij gebaseerd op het arrest HR BNB 2017/68. Het Hof heeft in hoger beroep de uitspraak van de Rechtbank overgenomen. In cassatie betoogt belanghebbende dat uit art. 110 VwEU in combinatie met art. 16a Wet bpm volgt dat Nederland verplicht is om het gunstiger 2016-tarief ook toe te passen op ingevoerde nieuwe auto’s die in januari/februari 2017 in een andere lidstaat tot de openbare weg zijn toegelaten, ook al zijn zij in Nederland pas na 1 maart 2017 op naam gesteld. A-G Wattel constateert dat de litigieuze 30 nieuwe auto’s niet in 2016 al in een andere EU-lidstaat gekentekend waren, maar pas in (de eerste twee maanden van) 2017. Zij zijn dan volgens hem niet vergelijkbaar met voor het eerst in Nederland geregistreerde nieuwe auto’s die wel al in 2016 in het kentekenregister van de RDW werden ingeschreven en waarop de tariefovergangsregeling van art. 16a Wet bpm ziet die in 2016 gekentekende auto’s naar het 2016-tarief belast mits zij vóór 1 maart 2017 op naam zijn gesteld. Bovendien zijn die 30 auto’s ook niet vóór maart 2017 in Nederland op naam gesteld (voltooiing belastbaar feit voor de bpm), maar pas (veel) later. Ook in dat opzicht acht de A-G hen niet vergelijkbaar met de onder art. 16a Wet bpm vallende al in Nederland aanwezige nieuwe auto’s waarmee de belanghebbende vergelijkt. Zouden belanghebbendes 30 auto’s wél al in 2016 in een andere lidstaat tot de openbare weg zijn toegelaten én bovendien vóór maart 2017 in Nederland bij de RDW op naam zijn gesteld, dan zou zij volgens de A-G wél recht hebben gehad op het 2016-tarief. Zij voldoet echter aan geen van beide criteria. De A-G acht daarom het cassatieberoep ongegrond. De Hoge Raad heeft het parket echter voorlichting gevraagd over de vraag of art. 16a Wet bpm mogelijk op regelniveau binnenlandse vergelijkbare gevallen ongerechtvaardigd ongelijk behandelt en zo ja, in hoeverre die ongelijke behandeling dan doorwerkt naar grensoverschrijdende gevallen. A-G Wattel constateert daartoe van ambtswege dat sinds 2012 de bpm niet meer vermeld hoeft te worden op het kentekenbewijs en dat in 2014 de kentekencard is ingevoerd, die geen bpm meer vermeldt, waardoor de bestaansreden voor de tariefovergangsregeling van art. 16a (oud; tot 2022) Wet bpm is vervallen. Die bestaansreden was dat als inschrijving vóór, maar tenaamstelling ná een tariefwijziging plaatsvond, de RDW de vóór tariefwijziging afgegeven kenteken-bewijzen weer moest innemen omdat er dan een verkeerd bpm-bedrag op stond, en nieuwe bewijzen moest uitgeven. Art. 16a (oud) Wet bpm stond daarom het oude tarief toe als een in jaar x gekentekende auto vóór 1 maart van jaar x+1 op naam werd gesteld (op welk moment de bpm verschuldigd werd). A-G Wattel heeft in de parlementaire geschiedenis geen verklaring kunnen vinden voor de handhaving van art. 16a (oud) Wet bpm ondanks het vervallen van diens bestaansgrond. Tussen 2012 en 2022 lijkt de Wet bpm daardoor in zowel binnenlandse als grensoverschrijdende gevallen een willekeurig fiscaal onderscheid gemaakt te hebben tussen twee categorieën technisch identieke nieuwe auto’s: (i) in december jaar x gekentekende nieuwe auto’s die in februari jaar x+1 werden tenaamgesteld en (ii) in januari jaar x+1 gekentekende technisch identieke nieuwe auto’s die eveneens in februari jaar x+1 werden tenaamgesteld. Bij ontbreken van een rechtvaardiging voor dat onderscheid is het onverenigbaar met art. 1 Twaalfde Protocol EVRM. Ook bij een wide margin of appreciation blijft dan immers een niet-verwaarloosbaar fiscaal onderscheid bestaan dat kennelijk van redelijke grond is ontbloot. Rechtsherstel zou dan moeten bestaan uit verlaging van het tarief voor de nieuwe auto’s met kentekening én tenaamstelling in januari of februari van jaar x+1 naar het tarief voor de nieuwe auto’s met kentekening in jaar x en tenaamstelling in januari of februari van jaar x+1. Alleen handelaren met een erkenning bedrijfsvoorraad kunnen de bevoegdheid deelachtig worden om nieuwe auto’s in te schrijven zonder tenaamstelling (dus zonder meteen bpm te moeten voldoen) en zonder voorafgaande keuring door de RDW. Volledigheidshalve onderzoekt A-G Wattel daarom of er discriminatoire aspecten zitten aan de erkenning bedrijfsvoorraad en de daaraan verbonden bevoegdheden. Hij acht vergunninghouders en niet-vergunninghouders geen gelijke gevallen vanuit het doel van de erkenning bedrijfs-voorraad en de bevoegdheid tot preregistratie, te weten de waarborging van de betrouwbaarheid van het kentekenregister, die cruciaal is voor de toepassing van vele, met name ook niet-fiscale wetten. Handelaren die in andere lidstaten geregistreerde nieuwe auto’s invoeren, hebben überhaupt geen last van de Nederlandse vergunningsvoorwaarden omdat Nederland op grond van art. 110 VwEU de datum van toelating tot de openbare weg in die andere lidstaat moet erkennen. Die handelaren hebben daardoor (tot 2022) zelfs automatisch een voordeel ten opzichte van niet-erkende binnenlandse gevallen: bij hen liggen de datum van inschrijving (in die andere lidstaat) en die van tenaamstelling (in Nederland) automatisch uit elkaar, waardoor zij automatisch (zonder Nederlandse vergunning) nieuwe auto’s met een historisch tarief kunnen aanbieden, net zoals een Nederlandse vergunninghouder dat kan. A-G Wattel bespreekt ten slotte van ambtswege ook het per 1 januari 2022 geldende nieuwe art. 16a(1) Wet bpm, na de wijziging van het belastbare feit per die datum in (alleen) de inschrijving in het kentekenregister; de tenaamstelling is geen onderdeel meer van het belastbare feit. Art. 16a(1) bepaalt nu dat een auto die vóór een tariefwijziging is ingeschreven toch naar het nieuwe tarief wordt belast als hij niet binnen twee maanden na tariefwijziging op naam wordt gesteld. Ook na de wetswijziging kunnen alleen vergunninghouders en handelaren die in een andere lidstaat gekentekende auto’s invoeren de datum van kentekening en die van tenaamstelling uit elkaar trekken en daardoor nog twee maanden na tariefwijziging nieuwe auto’s met het oude tarief verkopen. Ook na 2021 gaat het dus niet om onderscheid tussen interne en grensoverschrijdende gevallen (in beide situaties bestaat dezelfde ongelijkheid), maar om onderscheid tussen twee technisch identieke auto’s met verschillend tarief. Het oude art. 16a plaatste het belastbare feit maximaal twee maanden terug in de tijd naar een periode met lager tarief; het nieuwe art. 16a doet het omgekeerde, gegeven het nieuwe belastbare feit (inschrijving): het verplaatst het belastbare feit naar het latere moment van tenaamstelling op welk moment het nieuwe (hogere) tarief geldt als die tenaamstelling meer dan twee maanden na tariefwijziging op zich laat wachten. De wetgever wil uitsluiten dat motorrijtuigen langer dan 2 maanden na tariefwijziging nog met een (lager) ‘historisch bpm-tarief’ verkocht kunnen worden. Een anti-hamstermaatregel lijkt de A-G Wattel sinds 2022 onontbeerlijk, nu het nieuwe belastbare feit enkel de kentekenregistratie is. Erkende autohandelaren en importeurs van buitenlands gekentekende auto’s zouden anders temporeel onbeperkt nieuwe auto’s kunnen hamsteren: auto’s waarvoor het tarief 2021 is betaald, zouden in 2022, 2023 en verder nog verkocht en op naam gesteld kunnen worden met voorbijgaan aan na 2021 ingevoerde CO2-uitstoot-tariefverhogingen. Hij acht deze ratio voldoende rechtvaardiging voor een tariefovergangs-termijn van enige weken omdat de tijd tussen inschrijving en tenaamstelling volgens de wetgever normaal gesproken kort is, enkele dagen tot hooguit enkele weken. Dat zo zijnde, kan een anti-hamster-tariefovergangstermijn van twee maanden (hoewel misschien wel wat langer dan ‘enkele weken’) volgens de A-G geacht worden binnen de margin of appreciation van de wetgever te liggen. Conclusie: cassatieberoep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963
- EHRM 26 oktober 2021, ECLI:CE:ECHR:2021:1026JUD003459119
- Rb. Gelderland 25 oktober 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:5705
- HR 16 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1528
- HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:949
- HR 1 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:821
- Rb. Den Haag 20 februari 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:2521
- HR 11 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:1
- HR 21 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1695
- Conclusie A-G IJzerman 28 mei 2018, ECLI:NL:PHR:2018:616
- HR 27 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:78
- HR 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:119
- HR 18 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:917
- HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7857
- HR 14 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7199
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1990:165
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1995:413
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2013:857