Conclusie 30 april 2021, ECLI:NL:PHR:2021:443

Belanghebbende exploiteert een groothandel in alcoholische en niet-alcoholische dranken. In november 2012 heeft belanghebbende acht zendingen van goederen onder schorsing van accijns uitgeslagen uit haar agp. Voor elke zending heeft zij een elektronisch administratief document (e-AD) opgemaakt met Zweden als land van bestemming. Bij brief van 12 februari 2013 heeft de Inspecteur in het kader van spontane uitwisseling van inlichtingen informatie ontvangen van de Zweedse douaneautoriteiten. In de brief is meegedeeld dat de geadresseerde van de hiervoor genoemde zendingen de goederen niet heeft ontvangen in zijn belastingentrepot en dat hij of iemand anders valselijk berichten van ontvangst van de goederen heeft verstuurd. Uit het Zweedse onderzoek bij de verhuurder van het belastingentrepot is naar voren gekomen dat de verhuurovereenkomst op 18 januari 2012 is beëindigd, dat na deze datum toegang tot de ruimte niet meer mogelijk was en dat de opslagruimte 2 vierkante meter bedroeg. Vervolgens heeft de Inspecteur belanghebbende met betrekking tot de zendingen een naheffingsaanslag accijns opgelegd. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt en de Inspecteur heeft het bezwaar bij uitspraak afgewezen. Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij rechtbank Zeeland-West-Brabant (de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen de uitspraak van de Rechtbank heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij gerechtshof ’s-Hertogenbosch (het Hof). Het Hof overweegt dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad onder de oude accijnsrichtlijn (richtlijn 92/12/EEG) een vals of vervalst bewijs van ontvangst van accijnsgoederen niet kan worden aangemerkt als een ontvangstbewijs in de zin van die richtlijn. Daarbij is niet van belang dat pas na onderzoek van de douaneautoriteiten is gebleken dat aftekeningen op die bewijzen vals of vervalst zijn. Het Hof heeft geoordeeld dat deze rechtspraak ook van toepassing is onder richtlijn 2008/118/EG en de daarmee verband houdende wijziging van de Wet op de accijns (de WA). Het Hof verwerpt de stelling van belanghebbende dat de onderhavige overbrengingen van accijnsgoederen zijn geëindigd nadat belanghebbende de berichten van ontvangst heeft ontvangen en dat zij daarna niet meer voor de accijnsheffing kan worden aangesproken. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de zendingen niet door de geadresseerde zijn ontvangen. Uit de informatie van de Zweedse douaneautoriteiten blijkt naar het oordeel van het Hof dat de opslagruimte van het adres van het belastingentrepot niet meer in gebruik was omdat de huur is beëindigd en toegang tot de ruimte niet mogelijk was. Daaruit volgt dat de overgebrachte accijnsgoederen niet zijn aangekomen op de plaats van bestemming. Het Hof heeft geoordeeld dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat de accijnsgoederen naar een belastingentrepot zijn overgebracht, dat sprake is van een onttrekking aan de accijnsschorsingsregeling en dat dit als uitslag tot verbruik wordt aangemerkt. Aangezien op het tijdstip dat de accijnsgoederen de agp van belanghebbende verlieten de geadresseerde in Zweden niet over het belastingentrepot beschikte, is geen sprake van onregelmatigheden tijdens het overbrengen van de accijnsgoederen. Dit leidt ertoe dat de onregelmatigheden geacht worden te hebben plaatsgevonden in Nederland, tenzij belanghebbende tegenbewijs levert. Belanghebbende heeft geen tegenbewijs geleverd. Op grond hiervan kan van belanghebbende accijns worden nageheven. Met betrekking tot de overige grieven van belanghebbende, heeft het Hof – voor zover in cassatie nog van belang - in navolging van de Rechtbank geoordeeld dat het rechtszekerheids-, vertrouwens- en motiveringsbeginsel niet zijn geschonden. Het Hof heeft het hoger beroep in verband met een andere zending van accijnsgoederen gegrond verklaard en de naheffingsaanslag verminderd. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en zes middelen voorgesteld. Middel 1 behelst de klacht dat het Hof de vaste jurisprudentie onder de oude accijnsrichtlijn van toepassing acht onder de nieuwe accijnsrichtlijn en de daarmee verband houdende wijziging van de WA. Middel 2 richt zich tegen het oordeel van het Hof dat de stelling van belanghebbende dat de onderhavige zendingen van accijnsgoederen waren geëindigd nadat belanghebbende de berichten van ontvangst heeft ontvangen en belanghebbende daarna niet meer voor de accijnsheffing kan worden aangesproken, moet worden verworpen. Middel 3 richt zich tegen het oordeel van het Hof dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de overgebrachte accijnsgoederen niet zijn aangekomen op de plaats van bestemming en dat sprake is van een onttrekking aan een accijnsschorsingsregeling. Middel 4 verzet zich tegen het oordeel van het Hof dat de onregelmatigheden geacht moeten worden te hebben plaatsgevonden in Nederland op het tijdstip van aanvang van de overbrenging. Middel 5 richt zich tegen het oordeel van het Hof dat geen sprake is van schending van het rechtszekerheids-, vertrouwens- en motiveringsbeginsel omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Douane informatie heeft verstrekt waaruit volgt dat een ontvangstbericht steeds als bewijs kan dienen ook indien het bericht vals is of blijkt te zijn. Middel 6 betoogt dat het Hof de bewijslast onjuist heeft verdeeld dan wel onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat belanghebbende niet aan haar bewijsplicht heeft voldaan. In hoofdstuk 2 van de conclusie gaat A-G Ettema eerst na hoe het overbrengen van accijnsgoederen plaatsvond onder de werking van richtlijn 92/12/EEG. Tevens gaat de A G na hoe de bepalingen van de richtlijn in de WA zijn geïmplementeerd en bespreekt de A-G de relevante rechtspraak van de Hoge Raad. In hoofdstuk 3 onderzoekt de A-G vervolgens hoe het overbrengen van accijnsgoederen is geregeld in richtlijn 2008/118/EG en tot welke wijzigingen van de WA die richtlijn in dit verband heeft geleid. De A-G heeft de oude wetgeving naast de nieuwe wetgeving gezet om na te gaan of de regels voor het leveren van het bewijs dat een overbrenging overeenkomstig de eisen is geëindigd, zijn gewijzigd. De A-G concludeert dat dat niet zo is. In hoofdstuk 4 beoordeelt de A-G de middelen. De A-G komt tot de conclusie dat de middelen niet tot cassatie leiden en geeft de Hoge Raad dan ook in overweging het beroep in cassatie ongegrond te verklaren.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken