Conclusie A-G IJzerman 25 maart 2021, ECLI:NL:PHR:2021:291
A-G IJzerman heeft in een douanezaak conclusie genomen over de vraag of het door belanghebbende in het Duits opstellen van haar bezwaarschrift - bij uitblijven van een Nederlandse vertaling – kon leiden tot niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar en over de beoordeling van een klacht tegen een door het Hof ten overvloede gegeven overweging. Het gaat om het beroep in cassatie van [X] GmbH, belanghebbende, tegen de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam van 26 mei 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1252, inzake de met dagtekening 21 juli 2016 aan belanghebbende uitgereikte utb ten bedrage van € 99.530,66 aan definitieve antidumpingrechten en € 21.434,51 aan compenserende rechten. Belanghebbende heeft in 2014 - middels haar Nederlandse import agent - zonnepanelen in Nederland aangegeven, als hier ingevoerd met als land van oorsprong Taiwan. In het Engelstalige Mission Report uit 2015 van het antifraudebureau van de Europese Commissie (OLAF) staat dat medewerkers van OLAF in november 2014 in Taiwan onderzoek hebben verricht naar de oorsprong van zonnepanelen die vanuit Taiwan naar de Europese Unie zijn uitgevoerd en waarvan het vermoeden bestond dat zij van Chinese oorsprong zijn. Naar aanleiding van gegevens uit het OLAF-rapport heeft de Inspecteur de onderhavige utb uitgereikt aan belanghebbende. Hierin wordt uitgegaan van China als land van oorsprong. Op 25 augustus 2016 hebben de ‘Geschäftsführer’ (tevens gemachtigde) van belanghebbende en medewerkers van de douane ten kantore van de Inspecteur gesproken over de utb. Dit gesprek vond in het Duits plaats. Ook heeft een aantal telefoongesprekken tussen de gemachtigde en medewerkers van de Inspecteur plaatsgevonden die in de Duitse taal gevoerd zijn. Bij brief van 29 augustus 2016 heeft belanghebbende een Duitstalig bezwaarschrift ingediend tegen de utb. Daarop heeft de Inspecteur in de Nederlandse taal verzocht om vertaling van het bezwaarschrift in het Nederlands. Belanghebbende heeft in het Duits terug geschreven dat hij geen Nederlands lezen kan. Op 27 maart 2017 heeft de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift in een vreemde taal was gesteld. Anders dan de Rechtbank heeft het Hof geoordeeld dat het bezwaar door de Inspecteur terecht niet-ontvankelijk is verklaard, omdat het is aan de inspecteur (behandelaar van het bezwaar) om te beoordelen of een vertaling voor een goede behandeling van het bezwaar noodzakelijk is. Daartegen komt belanghebbende op met de eerste cassatieklacht. Het komt de A-G voor dat het overleggen van een vertaling van een bezwaarschrift in het algemeen niet noodzakelijk is als het bezwaarschrift is gesteld in de Engelse, Duitse of Franse taal. Deze talen kunnen worden gezien als gangbare talen in Nederland. Deze benadering sluit naar zijn mening aan bij bestaande rechtspraak, ook van andere rechterlijke instanties. Daarmee acht de A-G in overeenstemming dat de belastingdienst – en in het bijzonder de douane – zich richt tot het publiek met websites in de Engelse en Duitse taal. Ook in het licht van de eerdere contacten met belanghebbende in het Duits en de kennis van die taal die kennelijk aanwezig was ten kantore van de Inspecteur, lijkt de A-G een vertaling van het bezwaarschrift hier niet te mogen worden vereist. In zoverre is de eerste klacht terecht voorgesteld, maar daarmee is nog niet gezegd dat die ook tot cassatie kan leiden, vanwege de navolgende beoordeling van de tweede klacht. Inhoudelijk heeft het Hof ten overvloede overwogen dat de bestreden utb terecht aan belanghebbende is uitgereikt en de Inspecteur naar het oordeel van het Hof is geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat de goederen van Chinese oorsprong zijn. Hiertegen is de tweede klacht van belanghebbende gericht. In principe kan een klacht tegen een ten overvloede gegeven overweging niet leiden tot cassatie. Het terecht bevonden zijn van de eerste klacht zou in uitgangspunt moeten leiden tot terugwijzing naar het Hof, dat als enig gerechtshof een douanekamer heeft. De A-G geeft de Hoge Raad echter in overweging deze zaak zelf af te doen, om de navolgende redenen. Ten eerste blijkt uit de processuele opstelling van partijen dat zij mede een rechterlijk oordeel wensen over hun inhoudelijke geschilpunt. Ten tweede komt het de A-G voor dat het inhoudelijke oordeel van het Hof vooral berust op bewijs en de waardering daarvan. De beoordeling daarvan door het Hof is zijns inziens aan te merken als feitelijk en niet onbegrijpelijk. Aldus faalt de tweede klacht. De A-G geeft de Hoge Raad in overweging om ten principale recht te doen en de zaak te beslissen door de door het Hof als ten overvloede gegeven inhoudelijke beoordeling, tot de zijne te maken. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof Amsterdam 26 mei 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1252
- Rb. Noord-Holland 1 mei 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:3730
- HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:65
- CRvB 4 december 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY5565
- CRvB 27 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX1183
- HR 12 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD5493
- Conclusie A-G Niessen 12 december 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BD5493
- HR 22 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4811
- HR 1 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ3370
- Rb. Maastricht 7 februari 2006, ECLI:NL:RBMAA:2006:AV1142
- Hof Arnhem 26 september 2002, ECLI:NL:GHARN:2002:AE9851