Conclusie A-G Ettema 28 december 2021, ECLI:NL:PHR:2021:1244

Omkering van bewijslast mogelijk, en zo ja, voor een periode die ligt buiten de in een onherroepelijke informatiebeschikking vermelde periode? Belanghebbende, een vof, is verzocht herkomstbescheiden te verstrekken over de periode van 23 september 2011 tot en met 11 maart 2016 voor in haar bedrijf aangetroffen accijnsgoederen (waterpijptabak). Zij heeft te kennen gegeven de gevraagde gegevens niet te kunnen verstrekken. De Inspecteur heeft vervolgens bij een informatiebeschikking vastgesteld dat niet aan de informatieverplichting is voldaan. Nadat de beschikking onherroepelijk is geworden, heeft de Inspecteur een naheffingsaanslag accijns naar een geschat bedrag met vergrijpboete opgelegd. Het tijdvak van de aanslag wijkt af van de in het informatieverzoek en in de informatiebeschikking genoemde periode. Het Hof heeft partijen gevolgd in hun gezamenlijke standpunt dat de bewijslast omgekeerd dient te worden. A-G Ettema kan zich om twee redenen niet met het oordeel over de omkering van de bewijslast verenigen. Haar eerste bezwaar betreft de omkering zelf. De A-G meent dat het Hof had moeten onderzoeken of belanghebbende over de gevraagde gegevens beschikt of kon beschikken en daarbij de bewijslast bij de Inspecteur had moeten leggen. Het tweede bezwaar betreft de periode waarover de omkering is toegepast. De A-G meent dat het Hof de sanctie van de omkering niet had mogen toepassen voor tijdstippen die liggen buiten de in een inlichtingenverzoek en daaropvolgende onherroepelijke informatiebeschikking vermelde periode. Mocht de Hoge Raad het oordeel van het Hof over de omkering in stand laten, dan meent zij dat het middel dat zich richt tegen ‘s Hofs oordeel over de redelijke schatting slaagt. De A-G geeft de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond te verklaren en de zaak te verwijzen naar een ander gerechtshof.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken