Conclusie A-G IJzerman 12 december 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1319

A-G IJzerman heeft conclusie genomen over de aanvaardbaarheid van een informatiebeschikking afgegeven ter vaststelling of erflater in Nederland woonde. Het gaat om het beroep in cassatie van de erven, belanghebbenden, van [X] tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 15 maart 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:1018. Erflater en zijn echtgenote woonden in ieder geval tot 1994 in Nederland. Nadien waren zij niet meer ingeschreven in Nederland, maar op het adres van hun appartement in Curaçao. Er waren in de onderhavige jaren, 2004 tot en met 2011, aanknopingspunten met Nederland via de hier gehouden BV’s, de villa, de vakantiewoning, de boot, de personenauto en het aantal dagen verblijf in Nederland. Die omstandigheden hebben bij de Inspecteur de vraag opgeroepen of erflater, die aangifte had gedaan als buitenlands belastingplichtige, wellicht woonde in Nederland en dus zou zijn aan te merken als binnenlands belastingplichtige. Daarover is gecorrespondeerd met erflater, maar dat heeft niet geleid tot een voor de Inspecteur bevredigende beantwoording. Daarop heeft de Inspecteur op 28 januari 2016 een informatiebeschikking afgegeven. De Rechtbank heeft in beroep de informatiebeschikking gedeeltelijk herzien, in zoverre dat gehandhaafd zijn gebleven de volgende informatieverzoeken over de periode 2004 tot en met 2011: - een overzicht te verstrekken van alle inkomsten, vermogensbestanddelen en activiteiten (wereldwijd); - kopieën toe te zenden van de bankafschriften van alle binnenlandse en buitenlandse bankrekeningen en beleggingsrekeningen waartoe erflater gerechtigd is geweest; - kopieën toe te zenden van de jaarrekeningen van alle vennootschappen waarin erflater in die jaren een aanmerkelijk belang hield. Het Hof heeft zich aangesloten bij het oordeel van de Rechtbank en heeft het hoger beroep van belanghebbenden ongegrond verklaard. Belanghebbenden komen daartegen thans op in cassatie, onder aanvoering van vier middelen. De A-G merkt over de begrenzingen van de informatiebeschikking die hier te toetsen is het volgende op. De Inspecteur zal aannemelijk moeten maken dat er sprake is van een redelijk vermoeden voor wonen in Nederland en daarmee van binnenlandse belastingplicht. Een informatieverzoek is niet bedoeld als een zogenoemde ‘fishing expedition’. Van dat laatste zal volgens de A-G niet gauw sprake zijn, omdat het voor informatieverstrekking ingevolge artikel 47 van de AWR geldende criterium inhoudt dat de gevraagde gegevens en inlichtingen van belang kunnen zijn voor de belastingheffing van de belanghebbende. Pas als een inspecteur informatie opvraagt waarvan op voorhand duidelijk is dat die niet relevant kan zijn, wordt een grens overschreden. Het behoeft dus niet van tevoren vast te staan dat de gevraagde informatie inderdaad van belang zal zijn. Dat is na verkrijging van de informatie nader te bezien. Voor het opvragen van informatie is het al voldoende dat de inspecteur zich op basis van de hem reeds ter beschikking staande informatie in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de gevraagde gegevens en bescheiden van belang zouden kunnen zijn om opheldering te krijgen over de voorliggende vraag, in casu of erflater in Nederland woonde. In het eerste middel klagen belanghebbenden over het aanleggen van een onjuiste maatstaf door het Hof in het oordeel dat zij gehouden zijn te voldoen aan de informatieverzoeken over de periode waarin navordering enkel met toepassing van de verlengde navorderingstermijn kan plaatsvinden. Volgens het middel heeft het Hof miskend dat informatieverzoeken uit hoofde van artikel 47 van de AWR enkel betrekking kunnen en mogen hebben op de (vaststelling van de omvang van de) heffing. Verder is er de klacht dat het Hof onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat er de denkbeeldige mogelijkheid is dat de Inspecteur een aanslag kan opleggen met toepassing van de verlengde navorderingstermijn omdat erflater beschikte over buitenlandse bankrekeningen. Daarover merkt de A-G op dat het nu (nog) niet gaat over omkering van de bewijslast, maar om het vergaren van informatie. Omkering van de bewijslast zal eventueel pas aan de orde kunnen komen nadat de informatiebeschikking definitief is vastgesteld en belanghebbenden niettemin met beantwoording in gebreke zouden blijven. Daarmee is in overeenstemming dat uit de tekst van artikel 52a, eerste lid, van de AWR volgt dat een informatiebeschikking ook kan worden afgegeven met betrekking tot een eventueel op te leggen navorderingsaanslag. Aldus faalt het eerste middel. De A-G begrijpt het vierde middel aldus dat wordt gesteld dat als een inspecteur bij een belanghebbende informatie opvraagt die openbaar is, zoals te verkrijgen van de desbetreffende Kamer van Koophandel, de inspecteur weliswaar het recht behoudt die informatie op te vragen bij de belanghebbende, maar dat daarvoor geen informatiebeschikking zou mogen worden afgegeven. Volgens de A-G vindt die stelling in het algemeen geen steun vindt in het recht, omdat er geen wettelijke regeling is waarop een dergelijke beperking zou kunnen worden gebaseerd, zodat het middel faalt. Het tweede en derde middel stuiten af op de ordelijke, feitelijke vaststellingen van het Hof, zodat het beroep in cassatie van belanghebbenden ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken