Conclusie A-G Niessen 23 november 2021, ECLI:NL:PHR:2021:1099

A-G Niessen heeft een conclusie genomen inzake een geschil over de vraag of voor de toepassing van de loonbelasting (i) een voorwaardelijk recht op (na-)indexatie een aanspraak ingevolge een pensioenregeling vormt, en zo ja, (ii) of dit recht is prijsgegeven met de overdracht van de pensioenverplichting aan een andere B.V. [A] was als directeur in dienst bij [B] Beheer B.V., de rechtsvoorganger van belanghebbende (hierna: Beheer B.V.). Beheer B.V. heeft aan [A] pensioenaanspraken toegekend, waaronder een voorwaardelijk recht op (na-)indexatie van het pensioen. De pensioenaanspraken zijn ondergebracht bij Beheer B.V. [A] heeft aan Beheer B.V. verzocht de pensioenverplichting over te dragen aan [C] B.V. (hierna: [C] B.V.), waarin hij alle aandelen houdt. [C] B.V. heeft vervolgens de pensioenverplichting die Beheer B.V. heeft ten aanzien van [A], overgenomen, waarbij de indexatie niet in de overdrachtswaarde is meegenomen. Naar het oordeel van het Hof is het voorwaardelijke recht op (na-)indexatie van een pensioen dat gebaseerd is op een overeenkomst tussen de pensioengerechtigde en de pensioenuitvoerder, een aanspraak op een pensioen als bedoeld in artikel 11, lid 1, onderdeel c, Wet LB. Volgens het Hof is met de overdracht van de pensioenverplichting waarbij geen rekening is gehouden met een na-indexatie, vast komen te staan dat deze aanspraak is vervallen. Daarmee heeft belanghebbende dit recht op (na-)indexatie volgens het Hof prijsgegeven als bedoeld in artikel 19b, lid 1, onderdeel c, Wet LB. In cassatie klaagt belanghebbende dat het oordeel van het Hof dat het voorwaardelijke recht op (na-)indexatie kan worden aangemerkt als een aanspraak ingevolge een pensioenregeling onjuist is. Belanghebbende betoogt dat voor de uitleg van dit begrip moet worden aangesloten bij de civielrechtelijke definitie(s). Daarnaast bestrijdt belanghebbende het oordeel van het Hof dat met de overdracht van de pensioenverplichting belanghebbende het recht op (na-)indexatie heeft prijsgegeven. Naar de mening van de A-G zijn er in de onderhavige zaak twee redenen om voor de uitleg van het begrip ‘aanspraak ingevolge een pensioenregeling’ niet zonder meer aan te sluiten bij het civiele recht. Allereerst betreft het fiscale begrip ‘aanspraak’ uit artikel 10, lid 2, Wet LB een veel ouder begrip, nu dit voor het eerst in de wet is opgenomen in 1936. Ten tweede streeft de Pensioenwet een ander doel na dan de Wet LB, als gevolg waarvan het begrip ‘aanspraak’ in beide wetten een andere, eigen context heeft. Nu het overeengekomen voorwaardelijk recht op (na-)indexatie op basis van het fiscale kader kwalificeert als een aanspraak ingevolge een pensioenregeling, faalt het eerste middel. Het tweede middel betreft de vraag welke vorm van handelen precies vereist is voor het prijsgeven van een aanspraak in de zin van artikel 19b, lid 1, onderdeel c, Wet LB. Het volledige samenstel aan rechten en verplichtingen, zoals overeengekomen in de pensioenbrief, is overgedragen door belanghebbende aan een derde, niet-gelieerde vennootschap. Met de overdracht van de pensioenverplichting heeft belanghebbende dus weliswaar niet stilgezeten, maar er zijn volgens de A-G geen feiten gesteld of gebleken waaruit blijkt dat een aanspraak is prijsgegeven. De enkele omstandigheid dat bij de overdracht van de verplichting geen afzonderlijke waarde is toegekend aan een onderdeel van de aanspraak, maakt volgens de A-G niet dat deze aanspraak is gewijzigd, dan wel dat van (een deel van) deze aanspraak is afgezien. Van enige wijziging van hetgeen is overeengekomen in de pensioenbrief is ook niet gebleken, zodat de voorwaardelijke aanspraak op (na-)indexatie van de verzekerde/begunstigde is blijven bestaan. Het middel slaagt derhalve. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken