Conclusie A-G Niessen 30 oktober 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1215

A-G Niessen heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 17/04210. In (de tweede) cassatie is in geschil of het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat belanghebbende de stamrechtaanspraak in 2007 heeft prijsgegeven. Belanghebbende heeft in 1991 van zijn werkgever een ontslagvergoeding gekregen in de vorm van een stamrecht, die hij heeft ondergebracht in zijn BV. Het door belanghebbende op 25 juli 1991 bedongen stamrecht bestaat uit een aan hem uit te keren periodieke uitkering van € 74.852 per jaar, dat ingaat op 65-jarige leeftijd en eindigt bij zijn overlijden. Belanghebbende heeft op 10 januari 2007 de 65-jarige leeftijd bereikt. De BV heeft in de periode 1994 - 2013 als loon aangeduide betalingen gedaan aan belanghebbende. Deze betalingen zijn tot en met het jaar 2008 ten laste van de winst van de BV gebracht. Het Hof heeft, na verwijzing door de Hoge Raad, geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de jaren voorafgaand aan 2007 de bedoeling heeft gehad om stamrechtuitkeringen te doen. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende evenmin reeds met ingang van het jaar 1996 onbedoeld stamrechtuitkeringen genoten. Het Hof is ervan uitgegaan dat belanghebbende in 2007 een stamrechtuitkering van € 5.950 heeft ontvangen. Het Hof heeft overwogen dat deze uitkering niet is gevolgd door nadere uitkeringen, terwijl belanghebbende op grond van de stamrechtovereenkomst gedurende de rest van zijn leven nadere uitkeringen diende te ontvangen. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat belanghebbende niets heeft aangevoerd waaruit volgt dat hij in een ander jaar dan 2007 zijn aanspraak op stamrechtuitkeringen heeft prijsgegeven. Het Hof heeft geoordeeld dat de aanspraak voor verwezenlijking vatbaar was, omdat de BV nog activa bezat, waaronder een aanzienlijke effectenportefeuille. Tot slot heeft het Hof belanghebbendes betoog dat de waarde van zijn stamrechtaanspraak niet hoger kan zijn dan het per eind 2007 resterende stamrecht afgewezen. Het Hof heeft geoordeeld dat de waarde van de stamrechtaanspraak dient worden bepaald op grond van artikel 13, lid 2, Wet LB 1964 juncto artikel 18 UR LB 2001. Belanghebbende heeft in cassatie twee middelen voorgesteld. Belanghebbendes eerste middel strekt ten betoge dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de stamrechtaanspraak van belanghebbende niet in enig aan 2007 voorafgaand jaar dan wel in een op 2007 volgende jaar fiscaal onzuiver is geworden. Belanghebbende heeft hiertoe drie middelonderdelen aangevoerd. Ten eerste dat het Hof aan zijn stelling voorbij is gegaan dat de arbeidsovereenkomst uit 1996 geduid moet worden als een suppletietoezegging. Ten tweede dat hij in de jaren voor 2007 stelselmatig heeft geput uit zijn stamrechtvermogen en daarmee in strijd met de voorwaarden van de stamrechtvrijstelling had gehandeld. Tot slot heeft belanghebbende gesteld dat het Hof zijn voor het gerechtshof Den Haag aangedragen stelling dat hij in de jaren 2008 tot en met 2011 stamrechtuitkeringen heeft genoten, ten onrechte onbesproken heeft gelaten. In het twee middel betoogt belanghebbende dat het Hof ten onrechte en in strijd met artikel 13, lid 2, Wet LB 1964 en artikel 18 UR LB 2001 heeft overwogen dat de stamrechtaanspraak tot een bedrag van € 355.588 voor verwezenlijking vatbaar was in de zin van artikel 19b, lid 1, onderdeel c, Wet LB 1964. A-G Niessen is van mening dat het oordeel van van het Hof dat belanghebbende niets heeft aangevoerd waaruit zou kunnen volgend dat de stamrechtovereenkomst is gewijzigd, niet anders geduid kan worden dan dat belanghebbende met de door hem in het geding gebracht arbeidsovereenkomst niet aannemelijk heeft gemaakt dat de stamrechtovereenkomst is gewijzigd. Evenmin is het Hof voorbijgegaan aan belanghebbendes stelling dat de arbeidsovereenkomst uit 1996 geduid dient te worden als suppletietoezegging nu het Hof heeft geoordeeld dat er geen aanleiding is om te concluderen dat belanghebbende reeds met ingang van 1996 onbedoeld stamrechtuitkeringen heeft genoten. A-G Niessen meent voorts dat het oordeel van het Hof dat de omstandigheid dat de BV in verschillende aan 2007 voorafgegane jaren geen omzet realiseerde of een omzet die geringer was dan de aan belanghebbende gedane betalingen, evenmin tot de conclusie noopt dat hij onbedoeld stamrechten heeft genoten, als van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, niet in cassatie met vrucht kan worden bestreden. A-G Niessen meent dat belanghebbende zijn stelling voor het gerechtshof Den Haag dat hij in de periode 2007 tot en met 2011 stamrechtuitkeringen heeft genoten, heeft naar voren gebracht als ondersteuning van zijn argument dat het vermogen van de BV ontoereikend was en niet als afzonderlijke stelling. Naar het oordeel van A-G Niessen is van een motiveringsgebrek van het Hof geen sprake. Dit betekent dat belanghebbendes eerste middel faalt. A-G Niessen is van mening dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat de stamrechtaanspraak voor verwezenlijking vatbaar is. Op grond van artikel 13, lid 2, Wet LB 1964 juncto artikel 18 UR LB 2001 dient de waarde van de stamrechtaanspraak gesteld te worden op het bedrag dat bij een derde gestort moet worden teneinde de stamrechtaanspraak te dekken. Gelet daarop faalt ook belanghebbendes tweede middel.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken