Hof Den Haag 2 oktober 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2003
Aan X is door een voorganger van belanghebbende, X BV, een ouderdomspensioen (pensioen) toegekend. Voorts is hem een voorwaardelijk recht op (na-)indexatie van het pensioen (na-indexatie) toegekend. Het pensioen is ingegaan in april 2011, toen X 62 jaar werd. De uitkeringen zijn stopgezet per 1 november 2011 omdat men de pensioenaanspraken over wilde dragen aan een beleggings-BV van X. In maart 2012 vond die overdracht plaats, doch daarbij is geen rekening gehouden met na-indexatie. Het Hof oordeelt dat het recht op na-indexatie een aanspraak is die tot het loon behoort (HR 30 september 1953, ECLI:NL:HR:1953:AY2959, BNB 1954/328) en op grond van art. 11, lid 1, onderdeel a, Wet LB is vrijgesteld totdat zich een omstandigheid als bedoeld in art. 19b Wet LB voordoet. Aangezien bij de overdracht X’s aanspraak op na-indexatie niet is overgedragen, waardoor de aanspraak van X daarop is vervallen, is het recht op na-indexatie prijs gegeven als bedoeld in art. 19b, lid 1, onderdeel c, Wet LB. Het feit dat de na-indexatie in de jaren 2000-2011 nimmer heeft plaatsvonden doet aan dat oordeel niet af omdat X in die jaren het recht op na-indexatie bleef houden en dat niet heeft prijsgegeven. Het beroep op art. 1 EP EVRM wordt verworpen omdat de regeling van art. 19b, lid 1, Wet LB is “lawfull”, “precisive” en “forseeable” is. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een buitensporige individuele last.
De uitspraak op rechtspraak.nl