Conclusie A-G Wattel 18 november 2021, ECLI:NL:PHR:2021:1079
Tariefdifferentiatie OZB; onderscheid woningen/niet-woningen; art. 220a(2) Gemeentewet Woonzorgcomplex voor dementerenden; dienen de gezamenlijke woonkamers/keukens tot woning, c.q. zijn zij geheel dienstbaar aan woondoeleinden? Verwarring van de criteria bestemming, geschiktheid en gebruik in rechtspraak en literatuur Feiten: De belanghebbende Stichting exploiteert een woonzorgcentrum met drie bouwlagen. Elke bouwlaag omvat zes appartementen, een gezamenlijke woonkamer met keuken, een gang en een bergruimte. In het centrum verblijven duurzaam dementerende ouderen die geen woonruimte elders hebben en intensieve zorg behoeven, sommige ook palliatieve. Uit privacyoogpunt worden zij voornamelijk in hun appartementen verzorgd. In geschil is of het woonzorgcentrum moet worden aangemerkt als een onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dient als bedoeld in art. 220(a) en art. 220a(2) Gemeentewet. De Rechtbank Rotterdam achtte de omstandigheden in het complex niet wezenlijk anders van die in een groot gezin. De gezamenlijke woonkamers/keukens dienen haars inziens tot woning zodat voldaan is aan het eerste criterium van art. 220a Gemeentewet (tot woning dienen) en aan het tweede (uitsluitend dienstbaar aan woondoeleinden) niet wordt toegekomen. Als de gezamenlijke woonkamers woondelen zijn, moet minstens 70% van de complexwaarde worden toegerekend aan woondelen, en dient het complex in hoofdzaak tot woning, zodat het gelijk aan de belanghebbende is. Het Hof Den Haag baseerde op HR BNB 2017/22 en 23 dat of een onroerende zaak tot woning dient ex art. 220a Gemeentewet, ervan afhangt of de zaak naar aard en inrichting bestemd en geschikt is om enigszins duurzaam voor menselijke bewoning te dienen (geschiktheidscriterium). Wordt daaraan voldaan, dan is niet meer van belang of de geschikte ruimten daadwerkelijk duurzaam voor menselijke bewoning worden gebruikt. Het Hof meent dat deze maatstaf op gespannen voet staat met de maatstaf in HR BNB 2012/152, over recreatiewoningen, waarin de Hoge Raad aansloot bij het gebruik van de woningen. Het Hof kiest voor het geschiktheidscriterium en oordeelt dat de woonkamers naar aard en inrichting bestemd en geschikt zijn om enigszins duurzaam voor menselijke bewoning te dienen, waardoor het gelijk aan de belanghebbende is. De Directeur stelt in cassatie dat het Hof ten onrechte bij de toepassing van art. 220a Gemeentewet het geschiktheidscriterium heeft gebruikt. Dat is niet logisch bij verpleeghuize, waarvoor het gebruiks- of bestemmingscriterium zou moeten gelden. A-G Wattel constateert dat de Hoge raad in HR BNB 2018/62 met zoveel woorden het geschiktheidscriterium voor art. 220a Gemeentewet heeft aangewezen (onderscheid woningen/niet-woningen) en het bestemmingscriterium voor art. 220e Gemeentewet (delen van een niet-woning die tot woning dienen). Het geschiktheidscriterium is afkomstig uit HR BNB 1994/115 en HR BNB 1963/95, over de woonforensenbelasting, waarin beslissend werd geacht of de litigieuze gemeubileerde ruimte ‘op zichzelf beschouwd zowel bestemd als geschikt is om enigszins duurzaam - zij het niet bepaaldelijk in alle jaargetijden - voor menselijke bewoning te dienen, zonder dat wordt achtgeslagen op de mate, waarin daarvan werkelijk gebruik wordt gemaakt’. De Hoge Raad heeft dit voor de toepassing van art. 220a Gemeentewet overgenomen in HR BNB 2017/22 en 23, maar toen de zinsdelen tussen streepjes en achter de komma weggelaten. De A-G meent dat dat niet betekent dat voor art. 220a Gemeentewet feitelijk gebruik irrelevant is, maar slechts dat de voor bewoning bestemde en geschikte ruimte niet het hele jaar door ook daadwerkelijk bewoond hoeft te worden om als woning aangemerkt te kunnen worden. De mate van daadwerkelijke bewoning doet niet ter zake als de ruimte niet mede voor andere doeleinden dan menselijke bewoning wordt gebruikt en daarvoor bestemd en geschikt blijft. Het lijkt de A-G wenselijk dat de Hoge Raad expliciteert dat ‘het geschiktheids-criterium’ voor art. 220a Gemeentewet betekent: ‘op zichzelf beschouwd zowel bestemd als geschikt om enigszins duurzaam voor menselijke bewoning te dienen’ en dat ‘het bestemmingscriterium’ voor art. 220e – gegeven dat die bepaling de heffingsmaatstaf van de gebruikersbelasting ter zake van niet-woningen beperkt – betekent dat beslissend is het (overwegende) feitelijke gebruik als woning van het desbetreffende gedeelte van de niet-woning. Zijns inziens kunnen wij overigens wellicht toe met één criterium voor ‘tot woning dienen’ in zowel art. 220a als art. 220e Gemeentewet: naar aard en inrichting geschikt om enigszins duurzaam voor menselijke bewoning te dienen én feitelijk die hoofdfunctie hebben Het Hof heeft volgens A-G Wattel het juiste criterium gebruikt (dat van HR BNB 2017/22 en 23) en op basis daarvan geoordeeld dat de gezamenlijke woonkamers naar aard en inrichting zowel bestemd als geschikt zijn om enigszins duurzaam voor menselijke bewoning te dienen. Dat feitelijke oordeel lijkt de A-G voldoende gemotiveerd met de bevindingen dat (i) de woonkamers dezelfde functie vervullen als die in de woning van een groot gezin, (ii) hun voorzieningen hen ook geschikt maken om als woonkamer te worden gebruikt, en (iii) zij hoogstens complementair mede zijn ingericht of geschikt om de zorgfunctie te ondersteunen. Conclusie: cassatieberoep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof Den Haag 6 januari 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:36
- Hof Arnhem-Leeuwarden 29 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3437
- Rb. Rotterdam 2 april 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:3011
- HR 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:515
- HR 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:516
- Rb. Oost-Brabant 16 april 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:2178
- Hof Den Haag 26 februari 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:381
- Rb. Rotterdam 26 februari 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:1476
- Hof Den Haag 15 januari 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:38
- HR 5 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:3
- HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1342
- Hof 's-Hertogenbosch 10 februari 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:496
- HR 16 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2084
- HR 16 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2085
- Conclusie A-G IJzerman 4 juli 2016, ECLI:NL:PHR:2016:745
- HR 15 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1125
- Hof 's-Hertogenbosch 2 november 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BY3310
- Hof Amsterdam 6 september 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BX8214
- HR 10 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3270
- HR 16 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8976