Rb. Oost-Brabant 16 april 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:2178

Verweerder heeft met zijn taxatierapport en de gegeven toelichting voldoende aannemelijk gemaakt dat het object niet in hoofdzaak tot woning dient en heeft daarom het object terecht als niet-woning is aangeslagen. Met betrekking tot de aanslag OZB gebruikersheffing leidt de rechtbank uit het arrest van 5 januari 2018 van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2018:3) af dat bij het bepalen van de woondelenvrijstelling niet langer het geschiktheidscriterium, maar het bestemmingscriterium van toepassing is. Anders dan in zijn eerdere arresten over deze materie, beantwoordt de HR de vraag of onderdelen van een niet-woning als woondelen moet worden aangemerkt dus niet meer op dezelfde manier als de vraag of een opstal als woning moet worden aangemerkt. Hoewel uit het arrest van 5 januari 2018 niet blijkt waarom de HR op dit punt afwijkt van zijn eerdere rechtspraak, zal de rechtbank in navolging van dat arrest in de onderhavige zaak op overeenkomstige wijze oordelen. De waarde van de recreatiewoningen met bijbehorende grond valt niet onder de woondelenvrijstelling. De rechtbank concludeert daarom dat in het onderhavige geval, gelet op voornoemd arrest van de HR, geen woondelenvrijstelling van toepassing is. Nu verweerder de OZB gebruiker niet-woning niet naar die grondslag, maar naar een lagere grondslag heeft geheven, is de van eiseres geheven OZB gebruiker niet-woning reeds daarom niet te hoog. Het beroep is ongegrond

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken