Hof Den Haag 6 januari 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:36
Belanghebbende exploiteert een woonzorgcentrum. In geschil is of dat woonzorgcentrum moet worden aangemerkt als woning in de zin van artikel 220a, tweede lid van de Gemeentewet. Partijen verschillen van mening of de gezamenlijke woonkamers met keukens kwalificeren als delen van de onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Bij de beoordeling of de woonkamers dienen tot woning past het Hof het zogenoemde geschiktheidscriterium toe. Aan de hand van dat criterium kan een onroerende zaak als woning worden aangemerkt indien de voor de onroerende zaak vastgestelde waarde in hoofdzaak is toe te rekenen aan delen daarvan die naar aard en inrichting bestemd en geschikt zijn om enigszins duurzaam voor menselijke bewoning te dienen. Het Hof is van oordeel dat de woonkamers naar aard en inrichting bestemd en geschikt zijn tot woning te dienen. Dat in de woonkamers ook zorg wordt verleend aan de bewoners doet aan dat oordeel niet af. Aangezien is voldaan aan het criterium dat de woonkamers dienen tot woning behoeft geen beoordeling plaats te vinden of de woonkamers volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:515
- Hof Den Haag 26 februari 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:381
- Hof Den Haag 15 januari 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:38
- HR 5 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:3
- HR 16 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2084
- HR 16 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2085
- Conclusie A-G IJzerman 4 juli 2016, ECLI:NL:PHR:2016:745
- HR 15 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1125
- HR 10 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3270
- HR 16 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8976
- HR 2 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5609