Conclusie A-G IJzerman 4 juli 2016, ECLI:NL:PHR:2016:745
Holding BV houdt de aandelen in [X1] BV. Holding BV is de eigenaar en De [X1] BV de gebruiker, als bedoeld in artikel 220 van de Gemeentewet, van een in de gemeente Ermelo gelegen bungalowpark, bestaande uit 52 recreatiewoningen van verschillende typen. De grond onder het bungalowpark en 9 daarop gelegen bungalows zijn eigendom van Holding BV. Het bungalowpark wordt geëxploiteerd door [X1] BV. De genoemde 9 van de 52 daarop aanwezige bungalows worden verhuurd door [X1] BV. Overigens worden percelen grond verhuurd waarop de huurders zelf een bungalow of een onroerende stacaravan plaatsen. De bungalows zijn bestemd voor recreatief gebruik; permanente bewoning is niet toegestaan. De door de Heffingsambtenaar vastgestelde waarde van het object is niet in geschil. In casu is ook niet in geschil dat indien de onderhavige recreatiewoningen wel als woning moeten worden aangemerkt, meer dan 70% van het object aan woningen is toe te rekenen, zodat alsdan het gehele object, als recreatieterrein, als ‘woning’ moet worden aangemerkt. Aan belanghebbenden zijn, als eigenaar respectievelijk als gebruiker, de thans betwiste OZB-aanslagen opgelegd. Belanghebbenden hebben daartegen bezwaar gemaakt, omdat zij menen dat het object dient te worden aangemerkt als een onroerende zaak die in hoofdzaak dient tot woning. Subsidiair, voor het geval dat het object niet als woning wordt aangemerkt, stelt [X1] BV dat de woondelenvrijstelling van artikel 220e van de Gemeentewet van toepassing is. De A-G merkt op dat indien het object in hoofdzaak tot woning dient, alleen de eigenaar, Holding BV, belastingplichtig is voor de OZB, en wel naar het (lagere) woning-tarief. Indien het object niet in hoofdzaak tot woning dient (en derhalve een niet-woning is) worden zowel de eigenaar als de gebruiker, Holding BV en [X1] BV, in de OZB-heffing betrokken. Als het object een niet-woning is, kan bij de gebruiker, [X1] BV, eventueel worden toegekomen aan toepassing van de woondelenvrijstelling van artikel 220e van de Gemeentewet. De Rechtbank heeft als maatstaf geformuleerd dat zowel voor de gebruikersheffing als voor de eigenarenheffing een onroerende zaak slechts (in hoofdzaak) tot woning dient als deze bestemd is voor permanente bewoning door de feitelijke gebruiker. Volgens de Rechtbank zijn de onderhavige recreatiewoningen niet bestemd voor permanente bewoning, zodat deze niet als woning kunnen worden aangemerkt. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Belanghebbenden hebben tegen de uitspraak van de Rechtbank (sprong)cassatie ingesteld onder aanvoering van twee middelen. De toelichting op de Regeling Belastingcapaciteit biedt volgens de A-G geen steun voor het oordeel van de Rechtbank. De A-G meent dat voor het al dan niet als woning aanmerken van een bepaalde onroerende zaak niet bepalend is of die kan worden aangemerkt als duurzaam verblijf van de gebruiker. Uit de wetsgeschiedenis van de Aanpassingswet Wet waardering onroerende zaken blijkt volgens de A-G dat ook leegstaande of nog in aanbouw zijnde woningen, in dit kader te zien zijn als ‘woning’. Aldus komt de A-G tot de conclusie dat onjuist moet worden geacht het oordeel van de Rechtbank dat een onroerende zaak slechts (in hoofdzaak) tot woning dient als deze bestemd is voor permanente bewoning door de feitelijke gebruiker. De A-G wijst op de wetsgeschiedenis van de Aanpassingswet Wet waardering onroerende zaken, waarin is vermeld dat recreatiewoningen onder het woning-begrip kunnen worden geschaard. Dat eventueel bepaalde voorzieningen moeten worden gedeeld met andere recreatiewoningen, ziet de A-G niet als een beletsel. Dat in een recreatiewoning ook wordt gerecreëerd, acht de A-G in dit kader niet relevant. Volgens de A-G is de juiste maatstaf ter beoordeling of een recreatiebungalow of onroerende stacaravan in dit kader als een woning kan worden aangemerkt, of die gezien de daarin aanwezige of daarbij behorende (basis)voorzieningen, fysiek en objectief geschikt is voor bewoning. Dat is hier volgens de A-G het geval. De aard van een recreatiewoning brengt met zich mee dat deze moet beschikken over basisvoorzieningen, voor dagbesteding, slapen, zich wassen en eten, die het mogelijk maken in de recreatiewoning duurzaam te verblijven en daarvan woongenot te hebben. Daaraan doet zijns inziens niet af dat een recreatiewoning is bestemd voor (al dan niet opvolgend) tijdelijk gebruik. Een eventueel (gemeentelijk) verbod op permanente bewoning van een recreatiewoning, betekent volgens de A-G niet dat die woning daardoor fysiek en objectief minder geschikt zou worden als woning. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbenden gegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Rb. Gelderland 24 maart 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:1663
- Rb. Overijssel 11 maart 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:867
- Rb. Gelderland 29 september 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:6020
- Rb. Gelderland 3 september 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:5501
- Rb. Oost-Brabant 2 september 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:5194
- Rb. Gelderland 20 augustus 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:5308
- Rb. Zeeland-West-Brabant 22 mei 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:3121
- Rb. Noord-Nederland 20 januari 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:250
- HR 6 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1326
- HR 15 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1125
- HR 10 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3270
- HR 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU5656
- Hof Amsterdam 8 september 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BU6823
- Rb. Assen 10 september 2010, ECLI:NL:RBASS:2010:BR6190
- HR 16 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8976
- HR 16 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9075
- Conclusie A-G Niessen 16 november 2007, ECLI:NL:PHR:2007:AZ8976
- HR 4 december 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC4804
- HR 18 november 1981, ECLI:NL:HR:1981:AW9269