Conclusie A-G IJzerman 28 oktober 2021, ECLI:NL:PHR:2021:1013
A-G IJzerman heeft conclusie genomen over de vraag of sprake kan zijn van parkeren in de zin van artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet en de parkeerbelastingverordening, nu belanghebbende in het aangewezen parkeervak strafrechtelijk fout geparkeerd stond. Belet de aanwijzing van een parkeervak binnen vijf meter van een kruising de heffing? Is naheffing mogelijk over de parkeertijd na verstrijken van de maximum parkeerduur? Het gaat om het beroep in cassatie van [X], belanghebbende, tegen de uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 januari 2021, nr. 19/01732, inzake de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting. Aan belanghebbende is voor het op 2 februari 2019 parkeren van zijn auto zonder daarvoor (voldoende) parkeerbelasting te hebben betaald, een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Hilversum opgelegd. Het gaat om een voor betaald parkeren aangewezen parkeervak, gelegen in een parkeerstrook naast de rijbaan. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat ter zake geen naheffingsaanslag parkeerbelasting mocht worden opgelegd. Daartoe is aangevoerd dat belanghebbende in strijd met een wettelijk verbod heeft geparkeerd, doordat de voorwielen van de auto iets voorbij de eerste haaientand stonden, zodat daarom geen sprake zou zijn van parkeren als bedoeld in artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet. In de visie van belanghebbende zou dan alleen een parkeerboete kunnen worden opgelegd op grond van de Wet Mulder. Dat geldt volgens belanghebbende ook omdat zijn auto, in strijd met het RVV 1990, op minder dan vijf meter afstand van een kruising geparkeerd stond. De Rechtbank heeft vastgesteld dat belanghebbende zijn auto voor een klein deel buiten het parkeervak voor betaald parkeren heeft geparkeerd, omdat de voorwielen van de auto iets voorbij de eerste haaientand stonden. Dat maakt echter niet dat de naheffingsaanslag niet mocht worden opgelegd. Belanghebbende heeft zijn auto voor het allergrootste gedeelte in het parkeervak geparkeerd. Daarmee heeft het belastbare feit zich voorgedaan, aldus de Rechtbank. Bij de Rechtbank heeft belanghebbende verder aangevoerd dat zijn auto ten tijde van de constatering dat onvoldoende parkeerbelasting was betaald, langer dan een uur daar geparkeerd stond, terwijl aldaar een maximum parkeerduur gold van een uur. Omdat parkeren na dit uur verboden is, stelt belanghebbende dat geen parkeerbelasting meer kan worden geheven. De Rechtbank is het daar niet mee eens. Door in strijd met de parkeerduurbeperking zijn auto langer dan een uur te parkeren heeft belanghebbende zichzelf in een positie gebracht dat hij weliswaar parkeerbelasting verschuldigd was (omdat het parkeren niet was beëindigd), maar dat het voor hem niet meer mogelijk was om deze te voldoen. Dat brengt mee dat verweerder een naheffingsaanslag mocht opleggen. Die oordelen van de Rechtbank zijn onderschreven door het Hof. Belanghebbende bestrijdt die oordelen in cassatie. De A-G merkt op dat heffing van parkeerbelasting ingevolge artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet slechts mogelijk is waar het gaat om parkeren op een plaats waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden. Bijgevolg resteert voor dergelijke plaatsen de strafrechtelijke handhaving. Volgens de A-G is alleen in zoverre samenloop wettelijk verboden. Hoewel belanghebbende in het onderhavige geval zijn auto op een verboden wijze heeft neergezet, stond die op een plek waar parkeren, conform de aanwijzing als parkeervak door de gemeente, is toegestaan. Nu belanghebbende zijn auto geparkeerd heeft op een door de gemeente als zodanig aangeduide parkeerplaats is hier volgens de A-G in zoverre de grondslag aanwezig voor de heffing van parkeerbelasting. Indien het echter gaat om het neerzetten van een auto op een plaats waarop parkeren in het geheel niet is toegestaan – dus ook niet op een deel van de ingenomen ruimte – is dat geen zaak voor de regulerende parkeerheffing, maar past uitsluitend een strafrechtelijke sanctie. In verband hiermee moet worden nagegaan wat het gevolg is van de vaststelling van het Hof dat het parkeervak zich bevindt binnen vijf meter vanaf een kruising. Volgens belanghebbende zou dat verboden zijn. De A-G leidt echter uit het RVV 1990 af dat die opvatting van belanghebbende niet juist te achten is. Parkeren binnen het aangewezen parkeervak was hier toegestaan. Voorts klaagt belanghebbende over het oordeel van het Hof dat belanghebbende parkeerbelasting verschuldigd was terwijl voor dit voertuig de ter plaatse geldende maximum parkeerduur van een uur was verstreken. Kennelijk had belanghebbende parkeerbelasting betaald voor een uur – meer kon ook niet – maar heeft hij de auto nadien laten staan op de aangewezen parkeerplaats. Daarmee staat vast dat parkeerbelasting die overigens materieel verschuldigd bleef, door belanghebbende niet is betaald. Volgens de A-G was daardoor de enige resterende wijze om de overigens materieel verschuldigde parkeerbelasting te heffen, door middel van de opgelegde naheffingsaanslag. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof Den Haag 28 april 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:871
- Rb. Zeeland-West-Brabant 10 maart 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:1103
- Hof Arnhem-Leeuwarden 26 januari 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:759
- HR 11 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1987
- Rb. Amsterdam 10 augustus 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:4255
- Rb. Midden-Nederland 15 juni 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:2202
- Hof Den Haag 1 mei 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:885
- Rb. Amsterdam 5 maart 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:1738
- Rb. Den Haag 30 januari 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:489
- Rb. Den Haag 9 december 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:13150
- Hof Den Haag 16 april 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:1773
- Rb. Midden-Nederland 22 juni 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:2797
- Rb. Oost-Brabant 22 juni 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:3040
- Hof Arnhem-Leeuwarden 22 augustus 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:7239
- Hof Den Haag 9 maart 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:904
- Hof 's-Hertogenbosch 5 juni 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:2047
- Hof Amsterdam 2 april 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:1723
- Hof 's-Hertogenbosch 14 maart 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:731