Conclusie A-G Niessen 18 september 2020, ECLI:NL:PHR:2020:842
A-G Niessen heeft conclusie genomen in een zaak over de vraag of het in een Liechtensteinse Stiftung ingebrachte vermogen kwalificeert als een APV in de zin van artikel 2.14a, lid 2, Wet IB 2001, en of dit vermogen aan belanghebbende moet worden toegerekend. De vader van belanghebbende heeft in 2007 een Stiftung opgericht naar Liechtensteins recht. In de Stiftung zijn de aandelen in een B.V., een beleggingsportefeuille die in Nederland wordt beheerd, en een bankrekening die wordt aangehouden bij een bank in [S]. Belanghebbende ontvangt jaarlijks een geldbedrag uit de Stiftung. De vader van belanghebbende is in 2012 overleden. In geschil is of het in de Stiftung ingebrachte vermogen kwalificeert als een APV in de zin van artikel 2.14a, lid 2, Wet IB 2001 en – daarmee samenhangend – of dit vermogen aan belanghebbende naar evenredigheid van zijn erfdeel moet worden toegerekend. A-G Niessen gaat eerst in op de vraag of er sprake is van een APV. Daarbij is het in deze zaak van belang dat vastgesteld is dat het vermogen in de Stiftung discretionair is. Verder verschilt deze zaak van die uit het arrest van de Hoge Raad van 10 april 2015, BNB 2015/152, omdat in deze zaak meer dan één begunstigde is aangewezen. De A-G concludeert daarom dat sprake is van een APV. Vervolgens gaat de A-G in op het betoog van belanghebbende dat er geen rechtvaardiging is voor de vermeende beperking van het vrije verkeer van kapitaal en/of vestiging van de EER door het APV-regime, omdat er sprake zou zijn van een economische activiteit. Volgens de A-G moet er beoordeeld worden op het niveau van de Stiftung of sprake is van een economische activiteit en niet op het niveau van operationele vennootschappen waar de Stiftung indirect belang in heeft. In dit licht is het oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk. Voorts concludeert A-G Niessen dat een beroep op de tegenbewijsregeling van artikel 2.14a, lid 6, Wet IB 2001 niet kan slagen. Op grond van lid 6 moet als blijkt dat een erfgenaam van de inbrenger van het APV geen begunstigde is en dit ook niet kan worden, de toerekening van het vermogen aan die persoon achterwege blijven. Belanghebbende is niet in dit bewijs geslaagd. Verder is er geen schending van 1 EP EVRM. De regeling van artikel 2.14a Wet IB 2001 is met voldoende procedurele garanties omkleed en daarmee lawful. Er is geen schending op stelselniveau. Belanghebbende moet belasting betalen over de forfaitair bepaalde opbrengst berekend over de waarde van een vermogensbestanddeel zonder dat hij die opbrengst feitelijk geniet. Deze benadering is in de Nederlandse inkomstenbelasting gangbaar. Daarnaast heeft de Nederlandse wetgever een heffingsvacuüm willen opheffen. Deze wijze van belastingheffing is in het licht van deze doelstelling geenszins van elke redelijke grond ontbloot, zodat de wetgever niet de ‘wide margin of appreciation’ die hem toekomt overschrijdt. Ook is er geen sprake van een schending op individueel niveau. Het feit dat belanghebbende dus belasting betaalt over een forfaitair bepaalde opbrengst zonder dat hij deze feitelijk geniet, vormt niet een ‘individuele en buitensporige last’; belanghebbende wordt in zoverre namelijk niet anders behandeld dan de overige belastingplichtigen. Het Hof heeft feitelijk en voldoende gemotiveerd geoordeeld dat belanghebbende voldoende vermogen bezit om de fiscale last op te vangen. Het Hof heeft geoordeeld dat de vereiste aangifte niet is gedaan. De A-G overweegt dat de sanctie van de omkering van de bewijslast achterwege zou moeten blijven bij het niet voldoen aan de verplichting van het doen van een juiste aangifte indien de belastingplichtige dit verzuim niet kan worden aangerekend. Maar daarvan was in deze zaak geen sprake. Blijkens de bestreden uitspraak had belanghebbende toegang tot dezelfde gegevens als de Inspecteur en bevond hij zich dus niet in een achterstandspositie. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:831
- HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:970
- Hof Den Haag 18 juni 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:1743
- HR 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816
- Rb. Den Haag 31 juli 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:9200
- HR 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:511
- EHRM 16 januari 2018, ECLI:CE:ECHR:2018:0116DEC005082106
- EHRM 16 januari 2018, ECLI:CE:ECHR:2018:0116DEC006063316
- HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3273
- HR 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1740
- HR 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:849
- Conclusie A-G IJzerman 30 september 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1860
- Hof Den Haag 1 juli 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:2188
- HR 27 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1523
- HR 2 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BP3858
- HR 12 augustus 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR4868
- HR 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083
- HR 3 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BC2816
- HR 20 oktober 1971, ECLI:NL:HR:1971:AY4112
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2006:544