Hof Den Haag 18 juni 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:1743
In Liechtensteinse Stiftung is afgezonderd particulier vermogen. Belanghebbende is zoon van de Stifter en behoort tot het Begünstigtenkreis en is terecht aangemerkt als begunstigde in de zin van art. 2.14, lid 6, van de Wet IB 2001. De regeling inzake APV in art. 2.14a Wet IB 2001 is niet in strijd met de verdragsvrijheden vrij verkeer van vestiging en kapitaal. De regeling is niet in strijd met art. 1 EP EVRM op regelniveau en ook niet op individueel niveau. Geen sprake van een buitensporige last. Belanghebbende heeft voor de IB/PVV 2013 niet de vereiste aangifte gedaan. De Rechtbank heeft geoordeeld dat geen sprake is van een redelijke schatting. De Inspecteur heeft terecht een beroep op interne compensatie gedaan. Niet in geschil is dat als belanghebbende begunstigde is van een APV in de Stiftung ook de vordering van de Stiftung op A B.V. toegerekend wordt. Voorts is niet in geschil dat ingeval belanghebbende begunstigde is de vordering van de Stiftung op A B.V. kwalificeert als vordering uit ter beschikkingstelling in de zin van art. 3.92 Wet IB 2001 en het aandelenbelang in A B.V. kwalificeert als aanmerkelijk belang. Het geschil dat vervolgens is beperkt tot de vraag welk rentepercentage zakelijk is, beslecht het Hof in het voordeel van de Inspecteur op 6%. De TBS-vordering op A BV is niet toerekenbaar aan de partners op grond van art. 3.92, lid 4, Wet IB 2001.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 25 AWR
- Artikel 26 AWR
- Artikel 8:1 Awb
- Artikel 8:75 Awb
- Artikel 2.14 Wet IB 2001
- Artikel 2.14a Wet IB 2001
- Artikel 2.17 Wet IB 2001
- Artikel 3.25 Wet IB 2001
- Artikel 3.92 Wet IB 2001
- Artikel 3.94 Wet IB 2001
- Artikel 5.3 Wet IB 2001
- Artikel 1 Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
- Artikel 63 VWEU