Rb. Den Haag 31 juli 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:9200
Op initiatief van de vader van eiser is naar Liechtensteins recht een Stiftung opgericht. De vader heeft daarin zijn vermogen ingebracht. Eiser heeft in de onderhavige jaren als begunstigde jaarlijks uitkeringen van de Stiftung ontvangen. Daarnaast heeft eiser in het jaar 2013 een additioneel bedrag van de Stiftung ontvangen. Naar het oordeel van de rechtbank is dat bedrag door verweerder terecht aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden in de jaren 2011 tot en met 2013, zijnde de jaren waarin de werkzaamheden door eiser zijn verricht. Nu aan de voorwaarden van artikel 2.14a van de Wet IB 2001 is voldaan, is de rechtbank verder van oordeel dat verweerder het vermogen van de Stiftung terecht als een APV heeft aangemerkt. Verweerder heeft het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van eiser in het jaar 2013 dan ook terecht verhoogd. Het beroep van eiser op de tegenbewijsregeling van artikel 2.14a, zesde lid, van de Wet IB 2001 slaagt niet en van strijdigheid met artikel 1 van het EP is niet gebleken. De rechtbank acht niet aannemelijk dat de belastingheffing leidt tot een individuele en buitensporige last. Van een als strijdig met de vrijheid van vestiging of de vrijheid van kapitaalverkeer aan te merken belemmering, is evenmin sprake. Verweerder heeft voorts aannemelijk gemaakt dat eiser niet de vereiste aangifte heeft gedaan, zodat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast. Wel wordt de aan eiser opgelegde aanslag IB/PVV 2013 verminderd, omdat verweerder geen redelijke schatting van het inkomen van eiser heeft gemaakt. Het door verweerder gedane beroep op interne compensatie faalt.
De uitspraak op rechtspraak.nl