Rb. Den Haag 7 april 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:6035

In geschil is onder meer of eiseres recht heeft op de vergoeding van invorderingsrente over teruggaven die aan eiseres zijn uitbetaald wegens vernietiging van naheffingsaanslagen omzetbelasting. Eiseres betoogt dat primair dat zij recht heeft op vergoeding van invorderingsrente omdat de naheffingsaanslagen in strijd met het Unierecht zijn opgelegd waardoor zij op grond van artikel 28c van de Invorderingswet (Iw) recht heeft op vergoeding van invorderingsrente. De rechtbank is van oordeel dat uit het enkele feit dat de naheffingsaanslagen vernietigd zijn, niet volgt dat sprake is van strijd met Unierecht omdat aanslagen om allerlei redenen vernietigd kunnen worden. De gestelde strijdigheid met het Unierecht volgt ook niet uit het arrest Commissie/Luxemburg. Een schending van het verdedigingsbeginsel kan, als daar in dit geval al sprake van zou zijn, niet op grond van artikel 28c Iw tot een rentevergoeding leiden omdat het arrest Irimie uitsluitend de terugbetaling van een belasting die materieel strijdig is met het Unierecht betreft en ook uit de parlementaire geschiedenis niet blijkt dat artikel 28c Iw ook van toepassing is indien belasting wordt teruggegeven wegens schending van een formeel rechtsbeginsel of formeelrechtelijke bepaling. De rechtbank verwerpt ook de subsidiaire en meer subsidiaire standpunten van eiseres die inhouden dat zij op grond van het neutraliteitsbeginsel, fiscale doeltreffendheidsbeginsel of het eigendomsrecht van artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie recht heeft op een rentevergoeding. Van een schending van het Fair play beginsel of strijd met redelijke wetstoepassing is ook geen sprake. Het beroep van eiseres wordt door de rechtbank ongegrond verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken