Conclusie A-G IJzerman 16 juli 2020, ECLI:NL:PHR:2020:697
In geschil is of belanghebbende op grond van zijn diplomatieke status is vrijgesteld van de parkeerbelasting als bedoeld in artikel 225, lid 1, aanhef en onderdeel a, van de Gemeentewet. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 28 mei 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:1436. Belanghebbende was werkzaam bij Eurojust, een in [Q] gevestigde Europese instelling ter bestrijding van criminaliteit. Belanghebbende was door zijn lidstaat bij Eurojust gedetacheerd als nationaal lid. Daarop is zijn diplomatieke status gebaseerd. Op 9 oktober 2017 stond de auto van belanghebbende, met diplomatiek CD-kenteken, geparkeerd aan de [a-straat] te [Q]. Deze locatie is door het College aangewezen als een plaats waar op die dag en op dat tijdstip tegen betaling van parkeerbelasting mocht worden geparkeerd. Tijdens een controle heeft de parkeercontroleur geen geldig parkeerkaartje of een geldige parkeervergunning in de auto aangetroffen. Naar aanleiding daarvan is de onderhavige naheffingsaanslag in de parkeerbelasting aan belanghebbende opgelegd. Belanghebbende is opgekomen tegen de naheffingsaanslag met de voornoemde stelling dat hij op grond van zijn diplomatieke status is vrijgesteld van parkeerbelasting. De Rechtbank en het Hof zijn gekomen tot het oordeel dat belanghebbende inderdaad is vrijgesteld op grond van artikel 34 van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer. Dat wordt door het College nu bestreden in cassatie. In zijn cassatiemiddel neemt het College tot uitgangspunt dat tegenover de betaling van parkeerbelasting een concrete prestatie van de gemeente staat, namelijk het geven van gelegenheid om aldaar te parkeren op gemeentegrond. De parkeerbelasting zou daarmee een retributief karakter hebben. Daarvan uitgaande zou de onderhavige naheffingsaanslag in de parkeerbelasting zien op een ‘heffing wegens bepaalde verleende diensten’ waarvoor, ingevolge artikel 34, onderdeel e, van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer, geen diplomatieke vrijstelling geldt. Het uitgangspunt van een retributief karakter lijkt de A-G echter niet juist. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het bij de ‘fiscalisering’ van het parkeerbeleid wenselijk werd geacht géén direct verband te leggen tussen tarief en gebruik. Dat is met name zo gedaan om regulering van het parkeren mogelijk te maken tegen (veel) hogere dan kostendekkende tarieven. In zoverre is er volgens de A-G juist geen retributief karakter. De parkeerbelasting heeft met name ook beleidsmatige aspecten binnen het gemeentelijke parkeerbeleid. De doelstelling van de parkeerbelasting is vooral het reguleren van het parkeergedrag op basis van het prijsmechanisme (parkeerregulering). De opbrengst van de parkeerbelasting komt in de algemene middelen van de gemeente en kan vervolgens vrij worden besteed, al dan niet aan met parkeren verband houdende kosten en voorzieningen. De gemeente is dus vrij in de besteding van de opbrengst van de parkeerbelastingen. Weliswaar is het belastbare feit het parkeren op een gemeentelijke parkeerplaats, zodat er een verband is met het profijtbeginsel, maar de parkeerbelastingen blijven algemene, zakelijke belastingen; geen retributies. Daar komt nog bij dat bedacht moet worden dat de onderhavige naheffingsaanslag niet alleen de nageheven parkeerbelasting (€ 2,15) omvat, maar ook een flink bedrag aan kosten voor het langs deze weg alsnog innen van de parkeerbelasting (€ 61). Dit laatste bedrag staat in elk geval niet tegenover het recht om ergens betaald geparkeerd te staan. Het is volgens de A-G ook niet anderszins te zien als een aan belanghebbende verleende dienst. Een en ander brengt, naar de A-G meent, met zich mee dat de in casu opgelegde naheffingsaanslag in de betaaldparkerenbelasting niet kan worden aangemerkt als een ‘heffing wegens bepaalde verleende diensten’ waarvoor, ingevolge artikel 34, onderdeel e, van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer, geen diplomatieke vrijstelling zou gelden. Dat betekent volgens de A-G dat de naheffingsaanslag in strijd met de geldende diplomatieke vrijstelling is opgelegd. Het College heeft er overigens nog over geklaagd dat het Hof er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat in de Regeling diplomatieke en internationale vrijstellingen gemeentelijke belastingen 1997 geen vrijstelling is opgenomen voor de parkeerbelasting. Dat acht de A-G echter niet beslissend, omdat de vrijstellingsbepaling waar belanghebbende zich op beroept – ingevolge artikel 11 van het Verdrag tussen Nederland en Eurojust juncto artikel 34 van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer – naar inhoud een ieder kan verbinden en daarmee rechtstreekse werking heeft, zodat die vrijstellingsbepaling prevaleert boven nationale bepalingen in de Gemeentewet of in die Regeling. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag ongegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 93 Gw
- Artikel 94 Gw
- Artikel 20 Wet MRB 1966
- Artikel 221 Gemw
- Artikel 225 Gemw
- Artikel 243 Gemw
- Artikel 8:77 Awb
- Artikel 8 Who
- Artikel 26 Weens Verdragenverdrag
- Artikel 27 Weens Verdragenverdrag
- Artikel 31 Weens Verdragenverdrag
- Artikel 32 Weens Verdragenverdrag
- Artikel 33 Weens Verdragenverdrag
- Artikel 1 Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer
- Artikel 34 Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer
- Artikel 37 Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer
Aangehaalde uitspraken
- Hof Den Haag 28 mei 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:1436
- Rb. Den Haag 14 juni 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:8317
- Rb. Den Haag 17 maart 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:2859
- HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2928
- HR 1 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3044
- HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4549
- Hof 's-Gravenhage 4 april 2000, ECLI:NL:GHSGR:2000:AS3813
- HR 9 mei 1984, ECLI:NL:HR:1984:BH4806