Rb. Den Haag 17 maart 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:2859
Parkeerbelasting. Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, meer in het bijzonder of eiser vanwege zijn diplomatieke status als nationale vertegenwoordiger bij Eurojust is vrijgesteld van parkeerbelasting. Uit een aantal, met name in de uitspraak, genoemde bepalingen van het Verdrag Nederland-Eurojust 2006, het Besluit van de Raad en het Verdrag van Wenen volgt naar het oordeel van de rechtbank dat eiser is vrijgesteld van parkeerbelasting, zijnde een gemeentelijke belasting die niet is uitgezonderd in artikel 34 van het Verdrag van Wenen. Dat het verlenen van een dergelijke vrijstelling in het onderhavige geval strijdig zou zijn met het bepaalde in artikel 18, lid 1, van het Verdrag Nederland-Eurojust 2006 is gesteld noch gebleken. Aan dit oordeel kan niet afdoen dat in artikel 1 in samenhang met artikel 3, lid 1, van de Regeling 1997 de parkeerbelasting als zodanig niet wordt genoemd. De onder 3.4 genoemde vrijstellingsbepaling van artikel 11 van het Verdrag Nederland-Eurojust 2006 kan immers naar haar inhoud een ieder verbinden en heeft daarmee rechtstreekse werking (zie artikel 93 van de Grondwet), zodat deze ingevolge artikel 94 van de Grondwet voorgaat op de nationale bepalingen in de Gemeentewet en de Regeling 1997. Aan dit oordeel doet – uitgaande van de juistheid van hetgeen eisers gemachtigde ter zitting daarover heeft verklaard – evenmin af dat de auto is geparkeerd door de echtgenote van eiser, die eiser heeft opgehaald en die uitsluitend de Bulgaarse nationaliteit heeft.
De uitspraak op rechtspraak.nl