Conclusie A-G IJzerman 9 juli 2020, ECLI:NL:PHR:2020:685
A-G IJzerman heeft conclusie genomen over overschrijding van de opbrengstlimiet voor de rioolheffing en de daaraan te verbinden gevolgen van algehele of partiële vernietiging van de opgelegde aanslagen. Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam van 15 oktober 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3996. Belanghebbende is een instelling werkzaam op het gebied van de volkshuisvesting. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende, als eigenaar van percelen gelegen in de gemeente Oostzaan, voor de jaren 2013, 2014 en 2015 aanslagen in de rioolheffing opgelegd. Belanghebbende heeft ter zake bezwaar en beroep ingesteld. In geschil is of: i) het de gemeente, met betrekking tot de jaren 2013 en 2014, is toegestaan om achteraf bepaalde kosten in de raming van de rioolheffing op te nemen, terwijl deze kosten oorspronkelijk niet tot deze ramingen behoorden, ii) de Verordening voor 2014 voldoende duidelijkheid geeft over het te heffen bedrag, in de zin van artikel 217 van de Gemeentewet, iii) de gemeente al dan niet nadere gegevens behoefde te verstrekken over de buiten de rioolheffing gelaten percelen, en iv) de gemeente hier al dan niet in strijd heeft gehandeld met de Europese Kaderrichtlijn Water. Rechtbank en Hof hebben geoordeeld dat i) het toegestaan is om deze kosten in aanmerking te nemen, aangezien ze wel opgenomen waren in de begroting, alleen niet geraamd bij de rioolheffing, ii) de Verordening 2014 voldoende duidelijkheid geeft over het te heffen bedrag, iii) de gemeente, in het kader van de toetsing aan het gelijkheidsbeginsel, geen nadere gegevens behoeft te verstrekken over de buiten de rioolheffing gelaten percelen, en iv) de gemeente niet in strijd heeft gehandeld met de Europese Kaderrichtlijn Water. De eerste cassatieklacht van belanghebbende heeft betrekking op haar stelling dat de aanslagen zijn opgelegd in strijd met artikel 9 van de Europese Kaderrichtlijn Water. In dat kader dringt belanghebbende aan op het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. Volgens de A-G stuit deze klacht af op reeds gewezen eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad. Met haar tweede klacht betoogt belanghebbende dat het Hof onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat er geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel respectievelijk dat er geen onredelijke willekeurige belastingheffing heeft plaatsgevonden. Naar de A-G meent faalt deze klacht wegens gebrek aan steun in de jurisprudentie. De derde klacht ziet op de eerder stelling van belanghebbende dat voor een belastingplichtige niet eenduidig uit de Verordening valt op te maken tot welke belastingschuld zijn belastingplicht leidt. Dit is in strijd met artikel 217 Gemeentewet. De A-G zet uiteen dat dit in elk geval niet geldt voor de eigen positie van belanghebbende, zodat ook deze klacht faalt. De vierde klacht slaagt wel. Daarin wordt gesteld dat de in het kader van de heffing van rioolbelasting geldende opbrengstlimiet in casu overschreden is. Daarvan uitgaande is de Verordening in de jaren 2013 en 2014 geheel of gedeeltelijk onverbindend en dienen de aanslagen opgelegd aan belanghebbende te worden verminderd dan wel vernietigd. De A-G merkt op dat in dit kader speelt dat bepaalde kostenposten achteraf zijn toegevoegd aan de geraamde lasten, namelijk de ‘perceptiekosten’ en de ‘kosten van vegen van wegen’. Dit achteraf toevoegen acht de A-G in strijd met de huidige stand van de jurisprudentie en daarmee ontoelaatbaar. Voor een beslissing tot algehele onverbindendheid van de voor een bepaald jaar geldende verordening inzake de rioolheffing, heeft de Hoge Raad als grens gesteld dat de geraamde baten meer dan 10 percent uitgaan boven het gecorrigeerde bedrag van de geraamde lasten. Dat betekent volgens de A-G dat in casu de voor het jaar 2013 opgelegde aanslag geheel moet worden vernietigd en de voor 2014 opgelegde aanslag gedeeltelijk, als gecorrigeerd naar de in aanmerking te nemen kosten. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 81 RO
- Artikel 15.33 Wm
- Artikel 19 Wonw
- Artikel 45 Wonw
- Artikel 3 Gemw
- Artikel 9 Gemw
- Artikel 206 Gemw
- Artikel 216 Gemw
- Artikel 217 Gemw
- Artikel 228a Gemw
- Artikel 229 Gemw
- Artikel 229b Gemw
- Artikel 238 Gemw
- Artikel 256 Gemw
- Artikel 270 Gemw
- Artikel 279 Gemw
- Artikel 9 Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten
- Artikel 10 Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten
- Artikel 9
Aangehaalde uitspraken
- Hof Amsterdam 15 oktober 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3996
- HR 27 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1424
- HR 21 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1016
- Hof Arnhem-Leeuwarden 12 februari 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:1286
- Conclusie A-G IJzerman 20 december 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1419
- HR 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:271
- HR 8 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3082
- Conclusie A-G IJzerman 9 augustus 2017, ECLI:NL:PHR:2017:883
- Hof Arnhem-Leeuwarden 13 juni 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:4957
- HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:253
- Conclusie A-G IJzerman 23 november 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1199
- Hof Arnhem-Leeuwarden 15 september 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:6777
- Hof Amsterdam 13 mei 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:1948
- HR 23 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1192
- HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:777
- HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:780
- HR 13 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7248
- HR 6 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR0676
- HR 16 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM1236
- HR 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1968