Conclusie A-G IJzerman 9 augustus 2017, ECLI:NL:PHR:2017:883
Belanghebbende is een stichting (woningcorporatie) die tot doel heeft het beheren en exploiteren van woningen. Zij is onder meer eigenaar van 97 sociale huurwoningen in de gemeente Someren. Het gaat in deze procedure om de stelling van belanghebbende dat de 'Verordening rioolheffing 2013' in strijd is met Richtlijn 2000/60/EG van 23 oktober 2000 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (de Kaderrichtlijn), zodat de Verordening buiten toepassing moet blijven en de aan belanghebbende als eigenaar van die woningen opgelegde, op de Verordening gebaseerde, aanslag rioolheffing 2013 zou moeten worden vernietigd. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat van haar, als eigenaar, geen rioolheffing mag worden geheven, omdat zij geen vervuiler is, maar haar huurders dat zijn. Belanghebbende stelt dat de Verordening, die aanknoopt bij de eigenaar van een perceel dat is aangesloten op de gemeentelijke riolering, in strijd is met de Kaderrichtlijn. Belanghebbende is van mening dat uit het beginsel 'de vervuiler betaalt' volgt dat de rioolheffing moet worden gedragen door haar huurders. In het door belanghebbende ingestelde hoger beroep heeft het Hof eerst verondersteld dat artikel 9, eerste lid, van de Kaderrichtlijn voldoende nauwkeurig verplichtingen oplegt aan lidstaten en dus rechtstreekse werking heeft, zodat belanghebbende zich in deze procedure rechtstreeks kan beroepen op dat artikel. Het Hof heeft vervolgens overwogen dat, nu de riolering een zogenoemd gemengd stelsel betreft, ook van de kosten van het beheer en het onderhoud van, en van de investering in, het rioolstelsel niet kan worden geschreven dat uit het beginsel 'de vervuiler betaalt' dwingend de conclusie volgt dat deze kosten (in het geheel) niet aan de eigenaar van een perceel kunnen worden toegerekend. Op grond daarvan heeft het Hof geoordeeld dat de stelling van belanghebbende, dat de kosten, waarbij door middel van de rioolheffing terugwinning plaatsvindt, volgens het beginsel 'de vervuiler betaalt' geheel toegerekend moeten worden aan de gebruikers van een perceel en (in het geheel) niet aan de eigenaar van dat perceel, in zoverre geen grondslag heeft. Voorts heeft het Hof overwogen dat ‘gelet op de beoordelingsmarge’ die een lidstaat, bij de implementatie en uitvoering van de Kaderrichtlijn heeft, de verfijning die belanghebbende kennelijk voorstaat, namelijk dat met het oog op het beginsel 'de vervuiler betaalt' deze kosten dienen te worden teruggewonnen bij de gebruiker, en niet bij de eigenaar, van een perceel, een verfijning is waartoe, mede gelet op het totale watersysteem waar de rioolheffing deel van uitmaakt, artikel 9, lid 1 van de Kaderrichtlijn niet dwingt. Het Hof heeft belanghebbendes hoger beroep ongegrond verklaard. In cassatie stelt belanghebbende dat sprake is van schending van het recht, in het bijzonder van artikel 191 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en van artikel 9 van de Kaderrichtlijn. Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Someren heeft incidenteel beroep in cassatie ingesteld, strekkende tot bestrijding van directe werking van de Kaderrichtlijn. De A-G merkt op dat de strekking van de Kaderrichtlijn is om te voorzien in een kader, als in gemeenschappelijke beginselen en in een algemeen actiekader, ter bescherming van wateren. Het gaat om nagestreefde kwaliteitsdoelstellingen, namelijk behoud of herstel van een goede toestand, een goed ecologisch potentieel en een goede chemische toestand van de oppervlaktewateren. In de Kaderrichtlijn zijn twee dwingende verplichtingen geformuleerd. Ten eerste de verplichting om de achteruitgang van alle oppervlaktewaterlichamen te voorkomen en ten tweede de verplichting om uiterlijk eind 2015 een goede toestand te bereiken van alle oppervlaktewaterlichamen. Volgens de A-G passen de doelstellingen van de Nederlandse rioolheffing binnen die van de Kaderrichtlijn. Het op nationaal niveau daartoe genereren van financiële middelen, past daarmee in principe eveneens binnen de Kaderrichtlijn. Zo beschouwd ziet de A-G hier voor de Hoge Raad geen aanleiding om artikel 228a van de Gemeentewet in strijd te achten met de Kaderrichtlijn. Ook lijkt het de A-G dat het volgen van het standpunt van belanghebbende, als leidende tot het vernietiging van de aan haar opgelegde aanslag en terugbetaling van € 12.319, niets zou kunnen bijdragen aan realisering van de doelstellingen van de Kaderrichtlijn. Overigens lijkt het de A-G wel mogelijk dat de doelstellingen van de Kaderrichtlijn beter kunnen worden gediend door de totstandbrenging van gescheiden rioolstelsels met daarbij heffingen welke beter aansluiten bij het feitelijke gebruik. Dat betekent volgens de A-G echter niet dat de onderhavige heffing, als ziende op een gemengd rioolstelsel, onacceptabel is, waar zijns inziens niet te ontkennen valt dat ook eigenaren van panden en woningen eigen belangen hebben bij een goed functionerend rioolstelsel. Op een en ander stuit belanghebbendes middel af. Het faalt ook in zijn afzonderlijke onderdelen. Aldus behoeft het door het College (voorwaardelijk ) ingestelde incidentele beroep in cassatie geen verdere behandeling. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 1 Gw
- Artikel 93 Gw
- Artikel 94 Gw
- Artikel 228a Gw
- Artikel 15a WVO
- Artikel 1.1 Wm
- Artikel 10.33 Wm
- Artikel 15.33 Wm
- Artikel 9a WWH
- Artikel 9b WWH
- Artikel 122d Wschw
- Artikel 6:162 BW6
- Artikel 3:296 BW3
- Artikel 229 WEL
- Artikel 216 Gemw
- Artikel 219 Gemw
- Artikel 228a Gemw
- Artikel 229 Gemw
- Artikel 277 Gemw
- Artikel 7.7 Wtw
Aangehaalde uitspraken
- Hof 's-Hertogenbosch 30 november 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:5428
- HR 4 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2495
- Hof Arnhem-Leeuwarden 16 februari 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:1154
- Rb. Oost-Brabant 14 april 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:2090
- HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2928
- HR 1 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3044
- HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4549
- HR 15 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BD5477
- HR 10 augustus 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3758
- HR 21 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE8462
- HR 9 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:BH8810
- HR 12 januari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5567
- HR 24 oktober 1984, ECLI:NL:HR:1984:AW8425
- HR 5 maart 1980, ECLI:NL:HR:1980:AX0032
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1963:1
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1964:66
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1970:78
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1974:133
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1977:12
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1982:281