Conclusie A-G IJzerman 23 november 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1199

Het gaat in deze procedure om de vraag of voor het jaar 2013 de Verordening rioolheffing gemeente Overbetuwe onverbindend moet worden verklaard, omdat de gecorrigeerde baten in betekenende mate uitgaan boven het geraamde bedrag van de lasten. Op basis van artikel 228a van de Gemeentewet kan rioolbelasting worden geheven ter bestrijding van kosten die voor de gemeente zijn verbonden aan de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater. Op 6 november 2012 heeft de gemeenteraad van de gemeente Overbetuwe besloten om in de boekhouding een bedrag van € 6.800.000 aan de bestemmingsreserve riolering te onttrekken en dit bedrag voor het jaar 2013 toe te voegen aan de algemene middelen van de gemeente. In 2013 is deze dotatie daadwerkelijk gedaan. De Raad heeft op 18 december 2012 voor het jaar 2013 de Verordening rioolheffing gemeente Overbetuwe vastgesteld. De tariefstelling van een verordening kan partieel onverbindend zijn voor zover de ter zake geraamde baten uitgaan boven de ter zake geraamde lasten. Een dergelijke partiële onverbindendheid heeft tot gevolg dat een op die verordening gegronde aanslag pro rata parte wordt verlaagd. Er kan sprake zijn van algehele onverbindendheid indien (a) het de gemeente op voorhand duidelijk moet zijn geweest dat de desbetreffende post(en) (in zoverre) niet diende(n) ter dekking van de kosten waarvoor de heffingen worden geheven, en bovendien (b) na de eliminatie van de desbetreffende bedragen uit de lastenraming, de geraamde baten in betekenende mate uitgaan boven het gecorrigeerde bedrag van de geraamde lasten (‘de opbrengstnorm’ of de ‘opbrengstlimiet’). De Rekenkamer van de gemeente Overbetuwe heeft onderzoek gedaan naar de kostendekkendheid van de tariefstelling riool- en afvalstoffenheffing van de gemeente Overbetuwe. De Rekenkamer is tot de conclusie gekomen dat in die periode de opbrengstnorm van maximaal 100% kostendekkendheid op begrotingsbasis een aantal jaren is overschreden en dat er sprake is geweest van grote afwijkingen tussen ramingen en realiteit. In de onderhavige zaak heeft de Heffingsambtenaar aan belanghebbende, een particuliere huiseigenaar in de gemeente, een aanslag rioolheffing voor het jaar 2013 opgelegd, met een te betalen belastingbedrag van € 183,90. Belanghebbendes hiertegen gerichte bezwaar is door de Heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard, waarop belanghebbende tegen deze uitspraak beroep heeft ingesteld bij Rechtbank Gelderland. Bij de Rechtbank ging het nader om de vraag of de Verordening rioolheffing gemeente Overbetuwe 2013, waarop de bestreden aanslag berust, onverbindend is, omdat het tarief van de rioolheffing zodanig is vastgesteld dat de geraamde opbrengsten uitgaan boven de geraamde kosten ter zake. Dienaangaande heeft de Rechtbank geoordeeld dat de post financiële ruimte van € 566.041 geheel uit de raming dient te worden verwijderd. Daartoe heeft de Rechtbank overwogen dat ook in de jaren 2010 tot en met 2012 onder de kostensoort ‘financiële ruimte’ kosten zijn geraamd, terwijl in al die jaren de werkelijke kosten nihil bedroegen. Vervolgens heeft verweerder in 2013 onder deze kostensoort € 566.041 geraamd, terwijl ook in dat jaar de werkelijke kosten nihil bedroegen. Uit de toelichting van verweerder blijkt niet waarom deze kostensoort toch is geraamd. Hiermee heeft verweerder niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast dat deze kostensoort in redelijkheid is geraamd. Vervolgens heeft de Rechtbank geoordeeld: Na eliminatie van deze post is de opbrengstlimiet met 5,3% overschreden. Hiermee is de opbrengstlimiet niet in betekenende mate (10%) overschreden zodat sprake is van partiële onverbindendheid van de Verordening 2013. De Rechtbank heeft de aanslag rioolheffing tot 100/105,3 van € 183,90 oftewel (afgerond) € 174 verminderd. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep bij het Hof ingesteld, stellende dat de onttrekking aan de bestemmingsreserve riolering van een bedrag van € 6.800.000 moet worden besteed ter dekking van de kosten van de riolering. Als gevolg daarvan resteren in het jaar 2013 geen kosten die door middel van een rioolheffing mogen worden verhaald. Aldus wordt volgens belanghebbende de opbrengstlimiet met meer dan 10 percent overschreden zodat de Verordening op die grond onverbindend moet worden verklaard. Het Hof heeft in zijn uitspraak overwogen dat hetgeen de gemeente ontvangt aan rioolrecht of rioolheffing, met uitzondering van de genoemde efficiency- en aanbestedingsvoordelen, slechts mag worden aangewend voor de bestrijding van de kosten ter zake van het jaar zelf of van toekomstige jaren. Dit geldt ook indien, naast expliciete ramingen ten behoeve van een schommel- of spaarfonds, zoals in het onderhavige geval, overschotten worden gerealiseerd door onjuiste of onvolledige ramingen. Daarbij is naar het oordeel van het Hof niet van belang of die overschotten in de balans van de gemeente als een voorziening of als een (bestemmings)reserve zijn verantwoord. Het blijft immers gaan om geoormerkte gelden die bij de burger zijn opgehaald voor de taak riolering, welke gelden blijkens het BBV en de toelichting daarop altijd voor het rioleringsdoel moeten worden aangewend. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat een onttrekking in 2013 aan de BR riolering verantwoord had moeten worden in de ramingen van de rioolheffing en de lasten ter zake. Dat is echter niet gebeurd. Het Hof is gekomen tot de gevolgtrekking dat na de nodige correcties, de baten van de rioolheffing de lasten ter zake met meer dan 10 percent zullen overschrijden, zodat de Verordening ten aanzien van belanghebbende in haar geheel onverbindend moet worden verklaard. Het College is tegen de Hofuitspraak opgekomen met drie middelen welke volgens de A-G alle falen, zodat de conclusie strekt tot ongegrond verklaring.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken