Conclusie A-G IJzerman 20 december 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1419
A-G IJzerman heeft conclusie genomen naar aanleiding van het beroep in cassatie van belanghebbende tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 februari 2018, nr. 16/01372, ECLI:NL:GHARL:2018:1896. Belanghebbende, een woningstichting, is eigenaar van enkele duizenden verhuurde woningen en appartementen in de gemeente Steenwijkerland. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende als genothebbende krachtens eigendom van deze onroerende zaken, aanslagen in de rioolheffing voor de belastingjaren 2013, 2014 en 2015 opgelegd voor het eigenarendeel. Belanghebbende stelt dat de Verordeningen rioolheffing onverbindend zijn wegens overschrijding van de opbrengstlimiet. De Rechtbank heeft de Verordeningen onverbindend verklaard, omdat de heffingsambtenaar gerezen twijfel over de raming van de lasten ter zake van de rioolheffing niet heeft kunnen wegnemen. Die twijfel betreft voornamelijk diverse categorieën van baggerkosten en oeveronderhoud van sloten. De heffingsambtenaar heeft daarop hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft het hoger beroep gegrond verklaard. Het heeft weliswaar geoordeeld dat een bedrag van € 50.000 voor veegkosten uit de lasten moet worden geëlimineerd, maar doordat de gemeente alsnog (compensabele) btw aan de lasten ter zake van de rioolheffing mag toerekenen, hoewel dat in de oorspronkelijke ramingen niet was gebeurd, is de opbrengstlimiet niet overschreden. Belanghebbende heeft vervolgens beroep in cassatie ingesteld. Zij draagt één middel voor, bestaande uit vier middelonderdelen. Het eerste en derde middelonderdeel bestrijden dat de gemeente via de rioolheffing ook kosten voor baggeren en oeveronderhoud van sloten, als gemaakt door de gemeente, mag verhalen. Belanghebbende bestrijdt, onder verwijzing naar parlementaire geschiedenis, dat deze kosten samenhangen met de in artikel 228a van de Gemeentewet genoemde gemeentelijke watertaken waarop de rioolheffing ziet. Het Hof heeft evenwel geoordeeld dat de gemeente deze kosten, als samenhangend met haar zorgplicht voor afvloeiend hemelwater, via de rioolheffing mag verhalen. In het kader van de afvoer van afvloeiend hemelwater in sloten kan een gemeente het volgens de A-G tot haar taak rekenen zodanige voorzieningen te treffen dat die afvoer goed kan geschieden. Immers, als dat niet goed lukt, kunnen grote plassen op straten blijven staan, kunnen kelders onderlopen, et cetera. Daarmee komt betekenis toe aan ’s Hofs overwegingen dat (de kosten voor het baggeren en oeveronderhoud van) de sloten (mede) dienen voor de inzameling en transport van het hemelwater. Samenhang van door een gemeente gemaakte kosten met een oppervlaktewater dat niet bij de gemeente in beheer is, sluit volgens de A-G niet uit dat tevens samenhang kan bestaan met de gemeentelijke zorgplicht voor afvloeiend hemelwater. Een en ander brengt, naar de A-G meent, met zich mee dat het Hof geen onjuiste maatstaven heeft aangelegd en op begrijpelijke wijze is gekomen tot zijn oordeel dat de door de gemeente gemaakte en in de raming betrokken kosten van het onderhoud aan sloten, althans in voldoende mate, direct verband houden met de gemeentelijke zorgplicht voor hemelwater, zodat die kosten mogen worden verhaald via de rioolheffing. Daarop stuiten het eerste en derde middelonderdeel af. De tweede kwestie die in cassatie aan de orde wordt gesteld, is of de jurisprudentie van de Hoge Raad over stelplicht en bewijslast bij vermeende overschrijdingen van de opbrengstlimiet meebrengt dat de heffingsambtenaar hier kostenverdeelstaten en begrotingen had moeten overleggen. In casu heeft belanghebbende aan de gemeente blijkens het dossier gericht om overlegging van diverse, specifiek aangeduide documenten verzocht. Ook heeft zij gesteld dat de heffingsambtenaar niet aan zijn bewijslast heeft voldaan nu hij geen kostenverdeelstaten en begrotingen heeft overgelegd. Die stelling moet volgens de A-G worden opgevat als een verzoek tot overlegging van deze stukken door de heffingsambtenaar. Het is immers mogelijk te achten dat in die kostenverdeelstaten informatie te vinden is die dienstig is voor de beoordeling van de stelling van belanghebbende dat de opbrengstlimiet is overschreden. Uit ’s Hofs oordeel wordt niet duidelijk waarom de heffingsambtenaar desondanks ‘naar vermogen’ nadere informatie zou hebben verschaft. Het lijkt de A-G hier te gaan om een onvoldoende gemotiveerd oordeel. Aldus slaagt het tweede middelonderdeel. De laatste kwestie is of een gemeente achteraf, in een procedure, nog compensabele btw in aanmerking kan nemen als lasten ter zake van de rioolheffing, ingeval die compensabele btw niet is opgenomen in de vooraf gemaakte ramingen voor de rioolheffing. Belanghebbende heeft gesteld dat dit niet mag, maar de A-G ziet daartoe geen goede reden, zodat het vierde middelonderdeel faalt. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof Arnhem-Leeuwarden 27 februari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:1896
- Hof Arnhem-Leeuwarden 16 januari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:398
- Rb. Overijssel 29 maart 2017, ECLI:NL:RBOVE:2017:1413
- HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:253
- Conclusie A-G IJzerman 23 november 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1199
- Hof Arnhem-Leeuwarden 15 september 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:6777
- HR 13 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:282
- HR 16 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:67
- HR 23 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1192
- HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:777
- HR 13 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7248
- HR 13 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1928
- HR 4 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0990
- HR 16 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM1236
- HR 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1968
- HR 10 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BC3691
- HR 17 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU2717
- HR 4 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AP1951
- HR 31 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2720