Conclusie A-G Spronken 18 februari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:162

Vordering tot cassatie in belang der wet. Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. Dient een onderscheid te worden gemaakt tussen meerderjarige en minderjarige veroordeelden bij de beoordeling van een bezwaarschrift tegen de verwerking en opname van hun DNA-profiel? Een DNA-bevel is in beginsel verplicht voor een bepaalde categorie veroordeelden en in de wet wordt geen onderscheid gemaakt tussen minderjarige en meerderjarige veroordeelden. In zijn eerdere uitspraken heeft de Hoge Raad bepaald dat slechts plaats is voor een tweetal beperkt uit te leggen wettelijke uitzonderingen en geen ruimte bestaat voor een generieke uitzondering voor minderjarigen. De rechtspraak is echter verdeeld op dit punt terwijl het VN-Mensenrechtencomité op 18 juli 2017 in een tweetal klachten tegen Nederland de wet ten aanzien van minderjarigen in strijd heeft geacht met art. 17 IVBPR. In deze vordering wordt aan de Hoge Raad gevraagd zich uit te spreken over de vraag of minderjarigheid, gelet op de uitspraken van het Mensenrechtencomité moet worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een uitzonderingsgrond zoals bedoeld in art. 2 lid 1 onder b Wet DNA-V. De conclusie van de vordering is dat de rechter bij de beoordeling van een bezwaarschrift tegen de opslag van een DNA-profiel de minderjarigheid van de veroordeelde dient mee te wegen als bijzondere omstandigheid waaronder het misdrijf is gepleegd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken