HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2073
Cassatie in het belang der wet. Art. 2 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. Wat zijn de consequenties als een bevel a.b.i. in art. 2 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden niet zo spoedig mogelijk na de desbetreffende veroordeling is gegeven? De wettelijke regeling en i.h.b. art. 2, eerste lid van de Wet staan er niet aan in de weg dat de veroordeelde celmateriaal wordt afgenomen en het DNA-profiel van de veroordeelde wordt bepaald en verwerkt, ook wanneer sprake is van een onnodig lang tijdsverloop tussen de veroordeling en het bevel tot afname van celmateriaal. Wel blijkt uit de wetsgeschiedenis dat het i.v.m. met de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde van belang is dat het bevel tot afname van celmateriaal door de officier van justitie zo spoedig mogelijk na de veroordeling wordt gegeven. In gevallen dat daaraan niet wordt voldaan, kan evenwel niet worden gezegd dat de veroordeelde daardoor in enig rechtens te respecteren belang is geschaad. Daarbij verdient opmerking dat de in art. 18 van het Besluit voorgeschreven bewaartermijnen van DNA-profielen reeds aanvangen wanneer een einduitspraak a.b.i. de art. 351 en 352, tweede lid, Sv is gedaan, en dus losstaan van het moment waarop het bevel wordt gegeven.
De uitspraak op rechtspraak.nl