Rb. Noord-Holland 29 februari 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:3094
Beschikking ex art. 7 Wet DNA. Gelet op alle omstandigheden, waaronder de jeugdige leeftijd van veroordeelde, de blanco documentatie en zijn houding ten opzichte van het feit, gaat de kinderrechter er van uit dat het om een eenmalig incident ging en dat het zeer onwaarschijnlijk is dat DNA-onderzoek van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van mogelijke strafbare feiten van veroordeelde. Daarbij komt dat mediation met het slachtoffer niet van de grond is gekomen, terwijl beide partijen daar wel voor open stonden.
De uitspraak op rechtspraak.nl