HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2756

Cassatie in het belang der wet. Verzoek tot vergoeding van kosten voor rechtsbijstand in de bezwaarschriftprocedure als bedoeld in art. 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. De HR heeft in ECLI:NL:HR:2013:BX5566 geoordeeld dat en waarom een redelijke wetsuitleg meebrengt dat indien (i) de zaak is geëindigd in een sepot, of indien (ii) een beklag als bedoeld in art. 12 Sv niet gegrond is verklaard dan wel (iii) een dergelijk beklag wel gegrond is verklaard, maar de zaak vervolgens is geëindigd zonder oplegging van een straf of maatregel of toepassing van art. 9a Sr, het toekennen van een vergoeding voor de kosten van een raadsman op grond van art. 591a.2 Sv in geen van deze drie situaties is uitgesloten, zij het dat de rechter daartoe slechts kan besluiten indien en voor zover naar zijn oordeel, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn voor de toekenning van een vergoeding voor de kosten van een raadsman. De drie in dit arrest besliste gevallen kenmerken zich hierdoor dat weliswaar de desbetreffende strafzaak niet is geëindigd met een niet–veroordelende einduitspraak in de zin van art. 348 en 350 Sv, maar desalniettemin aannemelijk is dat geen aansprakelijkstelling door de strafrechter zal volgen. In dat type gevallen achtte de HR het redelijk de toepasselijkheid van art. 591a.2 Sv niet uit te sluiten. I.c. gaat het om een verzoek tot vergoeding van kosten voor rechtsbijstand in de bezwaarschriftprocedure a.b.i. art. 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. Dat bezwaarschrift is gegrond verklaard, maar de betrokkene is onherroepelijk veroordeeld ter zake van het feit in welk verband het DNA-onderzoek zou plaatsvinden. Het gaat hier derhalve niet om een type geval als hiervoor bedoeld. Voor inwilliging van het onderhavige verzoek zou alleen plaats kunnen zijn indien de strafzaak is geëindigd op de wijze als in art. 591a Sv vermeld, dus zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan art. 9a Sr. Opmerking verdient nog dat art. 591a.4 jo. art. 591.5 Sv voorziet in een afwijkende regeling met het oog op enkele bijzondere procedures. Die procedures, zoals die van art. 552a tot en met 552b Sv, kenmerken zich niet daardoor dat zij steeds zijn gekoppeld aan de strafzaak tegen de betrokkene waarin zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid wordt vastgesteld. De onderhavige procedure is niet in die afwijkende regeling opgenomen. Dat de wetgever bij de aangekondigde herziening van het Wetboek van Strafvordering mogelijk de onderhavige regelgeving (ingrijpend) zal herzien, noopt bovendien tot terughoudendheid bij een verdergaande extensieve toepassing van de regeling dan n ECLI:NL:HR:2013:BX5566.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken