Conclusie A-G Spronken 5 maart 2019, ECLI:NL:PHR:2019:201
Conclusie AG: Art. 198 Sr, feitelijke leidinggeven aan onttrekken aan door de fiscus gelegd bodembeslag begaan door een rechtspersoon. De rechtspersoon (een derde, niet zijnde de belastingplichtige) verkoopt en levert aan een ander haar in eigendom toebehorende roerende zaken (machinepark) waarop bodembeslag van de fiscus ligt. T.t.v. de beslaglegging bevonden de zaken zich op de bodem van de belastingplichtige BV. Aan de orde is o.m. de vraag of het op deze wijze beschikken over de beslagen voorwerpen onttrekking aan het beslag oplevert. Verkoop en levering van een beslagen zaak, ook al geschiedt dit eigenmachtig, leidt volgens de AG niet zonder meer tot onttrekken in de zin van art. 198 Sr; daarvoor is meer nodig. I.c. zijn de beslagen roerende zaken niet alleen eigenmachtig overgedragen aan een ander, maar zijn ze ook (bij wijze van ‘bodemoverdracht’) in handen van die ander gesteld, met als gevolg dat deze laatste zich ex art. 453a Rv jegens de fiscus zou kunnen beroepen op derdenbescherming. De AG is, mede gelet op de strekking van art. 198 Sr, van oordeel dat de strafrechter niet behoeft te onderzoeken of de zaak werkelijk buiten het beslag is gebracht doordat de derde-verkrijger te goeder trouw was en zich daarom kan beroepen op derdenbescherming. Onder onttrekken van een goed aan het beslag moet niet alleen worden verstaan een handeling die ten gevolge heeft dat het met het desbetreffende beslag veiliggestelde verhaalsrecht niet langer uitgeoefend kan worden, maar ook een handeling die ertoe strekt dat de uitoefening van dit verhaalsrecht kan worden belet. Daaraan doet niet af dat de beslaglegger uiteindelijk niet door de overdacht is benadeeld, omdat de derde niet te goeder trouw blijkt te zijn. Naar het oordeel van de AG heeft het hof terecht geoordeeld dat de rechtspersoon de roerende zaken in de zin van art. 198 Sr heeft onttrokken aan het daarop gelegde bodembeslag.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Rb. Amsterdam 6 juni 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:3958
- Hof Arnhem-Leeuwarden 7 februari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:1529
- HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:231
- HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:965
- Hof Arnhem-Leeuwarden 3 maart 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:1552
- HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK2866
- Conclusie A-G Machielse 22 december 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BK2866
- HR 20 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7729
- HR 30 mei 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0176
- HR 20 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1618
- HR 29 oktober 1991, ECLI:NL:HR:1991:AD1519
- HR 8 april 1975, ECLI:NL:HR:1975:AB4136