Conclusie A-G Niessen 26 april 2018, ECLI:NL:PHR:2018:466
A-G Niessen heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 17/02368. In cassatie is in geschil of belanghebbende de ter zake van zijn ex-echtgenote betaalde hypotheekrente en premies levensverzekering in aanmerking kan nemen als een onderhoudsverplichting in de zin van artikel 6.3, lid 1, onderdeel a, Wet IB 2001. Belanghebbende is in 2009 van zijn echtgenote gescheiden en is in de echtelijke woning blijven wonen. De (inmiddels voormalige) echtelijke woning was gemeenschappelijk eigendom van belanghebbende en zijn ex-echtgenote. Belanghebbende heeft in 2010 en 2011 alle woonlasten, zijnde de hypotheekrente en premies levensverzekering, voor zijn rekening genomen. Het Hof heeft overwogen dat een redelijke verdeling van de bewijslast met zich brengt dat belanghebbende de feiten en de omstandigheden aannemelijk dient te maken waaruit volgt dat door hem gedane betalingen ter zake van de hypotheekrente en premies levensverzekering aangemerkt kunnen worden als periodieke uitkeringen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting en dat deze uitkeringen in rechte vorderbaar zijn. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat het feit dat bij de vaststelling van de partneralimentatie door de burgerlijke rechter, als onderdeel van de draagkrachtberekening van belanghebbende, rekening is gehouden met de verschuldigde hypotheekrente en premies levensverzekering niet zonder meer betekent dat sprake is van een verplichting als bedoeld in artikel 6.3, lid 1, onderdeel a Wet IB 2001. Ook hetgeen belanghebbende ter zitting heeft aangevoerd, brengt het Hof niet tot het oordeel dat sprake zou zijn van een overeenkomst tussen belanghebbende en zijn ex-echtgenote op grond waarvan belanghebbende verplicht is het deel van zijn ex-echtgenote te voldoen. Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld onder aanvoering van één middel. Belanghebbendes middel strekt ten betoge dat het Hof ten onrechte in strijd met artikel 6.3, lid 1, onderdeel a Wet IB 2001 heeft geoordeeld dat de bedragen aan hypotheekrente die belanghebbende als zijnde betalingen ten behoeve van zijn ex-echtgenote heeft gedaan, niet voor aftrek in aanmerking komen. Belanghebbende heeft aangevoerd dat hij een deel van de hypotheekrente betaalt naar aanleiding van rechterlijke beslissingen over de alimentatieplicht, derhalve op grond van het familierecht van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De A-G meent dat de opname van de volledige woonlasten, in casu de hypotheekrente en premies levensverzekering, in de draagkrachtberekening voor de alimentatie niet mee brengt dat sprake is van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting. De aftrek van de volledige woonlasten bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen vindt zijn grondslag in de door belanghebbende aangeleverde gegevens. Dat de ex-echtgenote de door belanghebbende ingediende draagkrachtberekeningen voor de Rechtbank Maastricht en gerechtshof ’s-Hertogenbosch onweersproken heeft gelaten, brengt niet mee dat sprake is van rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting die in rechte vorderbaar is Voor zover belanghebbendes middel gebaseerd is op de vooronderstelling dat met opname van de volledige woonlasten bij de draagkrachtberekening voor de hoogte van de alimentatieverplichting in de beschikkingen over de (hoogte) van de alimentatie van de rechtbank en gerechtshof is vastgelegd dat de periodieke betaling van belanghebbende van de hypotheekrente en premies levensverzekering zijn gebaseerd op een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting, gaat het zijns inziens uit van een verkeerde rechtsopvatting gelet op HR BNB 1978/16. Het oordeel van het Hof dat belanghebbende met hetgeen hij heeft aangevoerd, zijn stelling dat hij het deel van zijn ex-echtgenote in de woonlasten uit hoofde van een familierechtelijke verplichting heeft voldaan, niet aannemelijk heeft gemaakt kan, als van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, niet in cassatie met vrucht worden bestreden.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 5a AWR
- Artikel 1:81 BW1
- Artikel 1:100 BW1
- Artikel 1:102 BW1
- Artikel 1:135 BW1
- Artikel 1:157 BW1
- Artikel 1:158 BW1
- Artikel 1:159 BW1
- Artikel 1:165 BW1
- Artikel 1:397 BW1
- Artikel 1:400 BW1
- Artikel 1:401 BW1
- Artikel 1.2 Wet IB 2001
- Artikel 2.17 Wet IB 2001
- Artikel 3.101 Wet IB 2001
- Artikel 3.111 Wet IB 2001
- Artikel 3.120 Wet IB 2001
- Artikel 6.3 Wet IB 2001
Aangehaalde uitspraken
- Hof 's-Hertogenbosch 9 februari 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:563
- Hof 's-Hertogenbosch 6 april 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:1527
- Rb. Zeeland-West-Brabant 13 april 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:6624
- Rb. Zeeland-West-Brabant 20 november 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:7894
- Hof Amsterdam 21 maart 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:CA1708
- Rb. Maastricht 1 december 2010, ECLI:NL:RBMAA:2010:9089
- Rb. Haarlem 28 september 2010, ECLI:NL:RBHAA:2010:BO1411
- Hof 's-Gravenhage 14 april 2010, ECLI:NL:GHSGR:2010:BM1858
- Rb. Maastricht 18 december 2009, ECLI:NL:RBMAA:2009:9847
- Rb. 's-Gravenhage 27 augustus 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ9040
- Rb. Haarlem 7 mei 2009, ECLI:NL:RBHAA:2009:BI3498
- HR 2 juli 1986, ECLI:NL:HR:1986:AW7936
- HR 14 september 1983, ECLI:NL:HR:1983:AC3704
- HR 28 september 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC6056
- Conclusie A-G Van Soest 9 mei 1977, ECLI:NL:PHR:1977:AC6056
- HR 12 oktober 1955, ECLI:NL:HR:1955:AY2569