Hof 's-Hertogenbosch 9 februari 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:563
Het Hof constateert dat er sprake is van een schending van het verdedigingsbeginsel respectievelijk de eisen van een goede rechtspleging, doordat belanghebbende voorafgaande aan de geplande datum van de mondelinge behandeling geen reactie heeft ontvangen op het door hem ingediende gemotiveerde verzoek om uitstel van deze mondelinge behandeling. Met betrekking tot het materiële geschil overweegt het Hof als volgt. Belanghebbende en zijn ex-echtgenote kwalificeerden niet gedurende het gehele jaar 2012 als fiscale partners en hebben er niet voor gekozen om gedurende het gehele jaar 2012 als fiscale partners aangemerkt te worden. Derhalve kunnen de inkomsten uit eigen woning in het jaar 2012 niet vrij toegerekend worden tussen belanghebbende en zijn ex-echtgenote. Voorts overweegt het Hof dat enkel op basis van de tekst van het echtscheidingsconvenant bezwaarlijk de conclusie getrokken kan worden dat belanghebbende op grond van dit convenant verplicht was om het aan zijn ex-echtgenote toe te rekenen gedeelte van de hypotheekrente, gedurende het gehele jaar 2012, voor zijn rekening te nemen. Het Hof acht echter, op grond van een ter zitting geloofwaardig door belanghebbende afgelegde verklaring, welke niet door de Inspecteur is betwist, aannemelijk dat op grond van het echtscheidingsconvenant voor belanghebbende de verplichting bestond om tot het moment van verkoop van de woning de hypotheekrente volledig voor zijn rekening te nemen. Voorts acht het Hof aannemelijk dat deze verplichting aan te merken is als een familierechtelijke verplichting tot voorziening in het levensonderhoud van zijn ex-echtgenote. Het hoger beroep is gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl