Conclusie A-G IJzerman 16 augustus 2017, ECLI:NL:PHR:2017:832
Ingevolge artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeenteraad voor het gehele grondgebied van de gemeente een of meer bestemmingsplannen vast, waarbij ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven. Ter bevordering van de actualiteit van vigerende bestemmingsplannen is voorgeschreven dat de bestemming van gronden binnen een periode van tien jaar, gerekend vanaf de datum van vaststelling van het bestemmingsplan, telkens opnieuw moet worden vastgesteld. Om die verplichting tot actualisering kracht bij te zetten is in het vierde lid van artikel 3.1 van de Wro voorzien in een zogenoemde legessanctie. Indien niet voor het verstrijken van de periode van tien jaar de gemeenteraad onderscheidenlijk opnieuw een bestemmingsplan heeft vastgesteld dan wel een verlengingsbesluit heeft genomen, vervalt de bevoegdheid tot het invorderen van rechten terzake van na dat tijdstip door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten die verband houden met het bestemmingsplan. Het gaat in de onderhavige procedure om de uitleg en toepassing van deze legessanctie. Belanghebbende heeft op 29 juli 2013 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning. Het daar ten tijde van de vergunningaanvraag vigerende bestemmingsplan is vastgesteld op 24 oktober 2001. Niet in geschil is dat ten tijde van de aanvraag de voornoemde periode van tien jaar verstreken was. De Heffingsambtenaar heeft belanghebbende bij legesnota een bedrag aan leges ter zake het verlenen van een omgevingsvergunning in rekening gebracht ter grootte van € 8.606,90. De legesnota is opgebouwd uit tarieven voor i) buitenplanse afwijking van het bestemmingsplan in de zin van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), ii) welstandsbeoordeling in de zin van artikel 2.10, eerste lid, onder d, van de Wabo en iii) bouwactiviteit in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de legesnota, wegens overschrijding van de termijn van tien jaar. De Heffingsambtenaar heeft de legesnota bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd. De Rechtbank heeft, bij uitspraak van 29 oktober 2015, geoordeeld dat het beroep van belanghebbende gegrond is en heeft de legesnota vernietigd. De Rechtbank heeft daartoe overwogen dat de legessanctie van artikel 3.1, vierde lid, van de Wro opgevat moet worden als een verbod om leges te heffen. De Rechtbank heeft vervolgens de vraag wat de reikwijdte is van de legessanctie, aldus beantwoord dat het niet passen van de gevraagde omgevingsvergunning in het vigerende bestemmingplan niet tot gevolg heeft dat de verstrekte dienst geen verband houdt met het bestemmingsplan. De aanvraag omgevingsvergunning heeft betrekking op grondgebied waarvoor het bestemmingsplan geldt, zodat de in verband met deze aanvraag verstrekte diensten verband houden met het bestemmingsplan. Tevens heeft de Rechtbank overwogen dat alle in rekening gebrachte leges direct op de aangevraagde omgevingsvergunning zien. Weliswaar splitst de Heffingsambtenaar het totale legesbedrag uit naar verschillende categorieën, maar feitelijk hebben deze leges betrekking op één en dezelfde vergunningsaanvraag. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat alle in rekening gebrachte leges onder de legessanctie vallen. Naar aanleiding van het hoger beroep van de Heffingsambtenaar heeft het Hof, bij uitspraak van 1 november 2016, beslist dat de uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd en heeft het hoger beroep ongegrond verklaard. Het Hof heeft daartoe overwogen dat het belastbare feit in dezen is het in behandeling nemen van een aanvraag. Tussen partijen is niet in geschil dat de aanvraag is gedaan en in behandeling is genomen meer dan tien jaar nadat het bestemmingsplan is vastgesteld en dat de legessanctie als bedoeld in artikel 3.1, vierde lid, van de Wro in werking is getreden. Het Hof heeft overwogen dat er slechts één belastbaar feit is waarvoor één tarief in rekening gebracht kan worden, dat is opgebouwd uit verschillende (samenhangende) onderdelen. Het Hof heeft geoordeeld dat alle activiteiten die uit de in behandeling genomen aanvraag voortvloeien die kunnen leiden tot het in rekening brengen van leges, als samenhangend moeten worden beschouwd, in die zin dat zij onderdeel zijn van één dienst die door of namens het gemeentebestuur wordt verstrekt en die verband houdt met het bestemmingsplan. Het College komt thans in cassatie met één middel op tegen de Hofuitspraak. In zijn middel voert het College aan het niet eens te zijn met de wijze waarop het Hof de legessanctie, zoals bedoeld in artikel 3.1, vierde lid van de Wro en de Legesverordening Zevenaar 2013 en de bijbehorende Tarieventabel, heeft geïnterpreteerd en toegepast. Het middel omvat een aantal klachten. De A-G meent, met name in het licht van de wetsgeschiedenis, dat alle aangevoerde klachten falen. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van het College van Burgemeester & Wethouders van de gemeente Zevenaar ongegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 2 RO
- Artikel 8 IW
- Artikel 2 Wonw
- Artikel 8 Wonw
- Artikel 12a Wonw
- Artikel 120 Wonw
- Artikel 219 Gemw
- Artikel 229 Gemw
- Artikel 233 Gemw
- Artikel 233a Gemw
- Artikel 249 Gemw
- Artikel 3:12 Awb
- Artikel 3:42 Awb
- Artikel 4:5 Awb
- Artikel 6:2 Awb
- Artikel 223 Provinciewet
- Artikel 6 Warvw
- Artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening
- Artikel 3.6 Wet ruimtelijke ordening
- Artikel 3.7 Wet ruimtelijke ordening
Aangehaalde uitspraken
- Rb. Zeeland-West-Brabant 2 juni 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:3350
- Hof 's-Hertogenbosch 4 mei 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:1914
- Hof Arnhem-Leeuwarden 1 november 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:8743
- HR 28 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2426
- Rb. Gelderland 31 mei 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:2848
- Hof Den Haag 30 maart 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:906
- HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:48
- Rb. Noord-Holland 4 december 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:11203
- Rb. Gelderland 29 oktober 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:6689
- Rb. Amsterdam 27 augustus 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:5391
- HR 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ4105
- HR 21 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BC0652
- HR 13 augustus 2004, ECLI:NL:HR:2004:AI0408
- HR 18 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1006
- HR 31 maart 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5307
- HR 16 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0718
- HR 24 december 1976, ECLI:NL:HR:1976:AC5858