Rb. Noord-Holland 4 december 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:11203
De rechtbank verbindt geen gevolgen aan de term ‘invorderen’ en artikel 3.1, vierde lid, van de Wro en legt deze uit alsof deze bepaling ziet op een geschil inzake de heffing van leges. De rechtbank veronderstelt dat de wetgever met het gebruik van de term ‘invorderen’ niet heeft bedoeld om de belastingplichtige de mogelijkheid te ontnemen om een geschil over de uitlegging van bedoelde bepaling aan de belastingrechter voor te leggen. Het zou uitermate onbevredigend zijn en een aantasting betekenen van de rechtsbescherming van de belastingplichtige, indien hij een dergelijke kwestie in een invorderingsgeschil zou moeten voorleggen aan de burgerlijke rechter.
De uitspraak op rechtspraak.nl