Conclusie A-G IJzerman 25 september 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1008

Voor bijlage zie ECLI:NL:PHR:2017:1081. A-G IJzerman heeft conclusie genomen naar aanleiding van het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk en het incidenteel ingestelde beroep in cassatie van [X], belanghebbende, tegen de uitspraak van Gerechtshof 's-Hertogenbosch (hierna: het Hof) van 28 juli 2016, nr. 15/00962. Deze procedure maakt deel uit van de zeven verwante zaken waarin vandaag conclusie wordt genomen. Bij die conclusies behoort een gemeenschappelijke bijlage. Alle zaken hebben gemeen dat zij, op enigerlei wijze, zien op de vraag of bepaalde fysieke stukken of computerbestanden, zijn aan te merken als ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’. In deze zaak gaat het met name om de vraag of een grondstaffel (de gehanteerde kavelwaarde en de opbouw hiervan binnen een perceel) is aan te merken als een op de zaak betrekking hebbend stuk, als bedoeld in artikel 7:4, tweede lid, van de Awb. Het Hof heeft overwogen dat de Heffingsambtenaar de grondstaffel eerst heeft verstrekt als onderdeel van de nieuwe matrix bij zijn verweerschrift in hoger beroep. Het Hof heeft geconstateerd dat indien de nieuwe matrix en de oorspronkelijke matrix met elkaar worden vergeleken, blijkt dat er voor wat betreft de grondwaardes grote verschillen zijn, welke zijn ontstaan doordat verschillende grondstaffels zijn gebruikt. Naar het oordeel van het Hof volgt uit artikel 40 van de Wet WOZ dat een belastingplichtige recht heeft op alle gegevens die van belang kunnen zijn voor het controleren van de voor zijn onroerende zaak vastgestelde waarde, een en ander met inachtneming van het belang van de privacy van anderen. Het Hof heeft vervolgens overwogen dat ook de grondstaffel in dit verband van belang kan zijn. In casu is daarvan volgens het Hof inderdaad sprake. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat ook afgezien van artikel 40 van de Wet WOZ de Heffingsambtenaar de grondstaffel in de bezwaarfase ter beschikking had moeten stellen van belanghebbende, nu belanghebbendes gemachtigde hierom reeds in de bezwaarfase had verzocht. Immers ingevolge artikel 7:4, tweede lid, van de Awb dient de Heffingsambtenaar alle op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen ter inzage te leggen voor belanghebbende gedurende ten minste een week. Naar het oordeel van het Hof had de Heffingsambtenaar de grondstaffel, als zijnde een op de zaak betrekking hebbend stuk als bedoeld in de zin van artikel 7:4, tweede lid, van de Awb ter inzage moeten leggen, en indien de belanghebbende bij de inzage om een afschrift daarvan had verzocht, hem dat moeten verstrekken. Gelet hierop had de Heffingsambtenaar het verzoek van belanghebbende (een afschrift van) de grondstaffel te verstrekken niet mogen weigeren. Desalniettemin vormt het ten onrechte weigeren om de grondstaffel te verstrekken voor het Hof geen aanleiding om de uitspraken op bezwaar te vernietigen, omdat de beschikte waarde, naar blijkt uit vergelijkbare objecten, niet te hoog is vastgesteld. Wel heeft het Hof de Heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten van de beroepsfase en de hoger beroepsfase. Het College heeft bij tegen de Hofuitspraak beroep in cassatie ingesteld, onder aanvoering van vier middelen. Belanghebbende heeft daarop incidenteel beroep in cassatie ingesteld met één middel. Het eerste middel van het College houdt in dat het Hof ten onrechte heeft aangenomen dat de grondstaffel is neergelegd in een stuk dat voor verstrekking in aanmerking komt. De A-G ziet als ‘de op de zaak betrekking hebbende stukken’ ook gegevens die zijn opgenomen in applicaties die door de inspecteur of heffingsambtenaar bij de belastingheffing zijn gebruikt. Verder merkt de A-G op dat de Hoge Raad bij arrest van 20 december 2013 heeft overwogen dat onder ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’ mede zijn verstaan afdrukken, als in afschrift verstrekt, van in elektronische vorm vastgelegde gegevens. Nu de grondstaffel in een dergelijke elektronische vorm was opgenomen en (uiteindelijk) in afschrift is verstrekt, meent de A-G dat reeds daarom het eerste middel van het College faalt. In het tweede middel stelt het College dat de uitspraak van het Hof rechtsongelijkheid creëert, nu deze uitspraak afwijkt van jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Daarover merkt de A-G op dat in fiscale zaken moet worden gevaren op de rechtsoordelen van (de belastingkamer van) de Hoge Raad. Overigens meent de A-G dat de door belanghebbende gepercipieerde rechtsongelijkheid berust op een onjuiste rechtsopvatting. Met het derde middel wordt geklaagd over de overweging van het Hof dat de grondstaffel voorafgaand aan de hoorzitting ter inzage had moeten worden gelegd. De A-G meent daarentegen dat nu de grondstaffel behoort tot ‘de op de zaak betrekking hebbende stukken’, het College de grondstaffel reeds op eigen initiatief had moeten overleggen. In het vierde middel bestrijdt het College ’s Hofs overweging dat eerst in hoger beroep voldoende inzicht is geboden in de totstandkoming van de waarde. De A-G leidt echter af uit het procesverloop dat die overweging van het Hof juist te achten is, zodat ook het vierde middel faalt. Het incidentele middel van belanghebbende behelst klachten over bewijsoordelen van het Hof. De A-G attendeert erop dat het aan de rechter die over de feiten oordeelt, vrijstaat om van het beschikbare bewijsmateriaal tot het bewijs te bezigen wat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Daarop stuit het middel van belanghebbende af. De conclusie strekt ertoe dat zowel het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk, als het incidenteel ingestelde beroep in cassatie van belanghebbende, ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken