Conclusie A-G IJzerman 30 mei 2016, ECLI:NL:PHR:2016:500

Belanghebbende was in 2013 eigenaar van een pand, een loods, te [Z]. De loods is onder te verdelen in maximaal tien separate units. Elke unit in de loods is voorzien van een (indirecte) aansluiting op de gemeentelijke riolering. De Heffingsambtenaar van de gemeente Steenwijkerland heeft aan belanghebbende zeven aanslagen rioolheffing voor eigenaren opgelegd. De Heffingsambtenaar is in de aanslagoplegging uitgegaan van zeven percelen. Krachtens de gemeentelijke Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2013 wordt het eigenarendeel geheven naar een vast bedrag per perceel van € 37,36, verhoogd met een vast bedrag van € 105,68, tezamen € 143,04, indien het perceel direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering. Aldus belopen de aan belanghebbende opgelegde zeven aanslagen in totaal € 1.001,28. In de Verordening is voor de perceelsafbakening aangesloten bij de objectafbakening zoals die geldt voor de Wet WOZ. Vanwege deze perceelsafbakening in combinatie met de tariefstructuur van de Verordening, krijgen eigenaren van daarvoor in aanmerking komende recreatieterreinen een aanslag in de rioolheffing waarbij wordt uitgegaan van één perceel. Belanghebbende heeft zich bij het Hof op het standpunt gesteld dat er geen reden is om een bedrijfsverzamelgebouw dat een aantal zelfstandig bruikbare units omvat, anders te behandelen dan een recreatieterrein met verschillende stacaravans en chalets. Belanghebbende stelt dat de gemeente in strijd met het gelijkheidsbeginsel handelt en verlangt voor zijn loods dezelfde behandeling als een recreatieterrein, door het aanmerken van de loods als één perceel. Belanghebbende acht het ten onrechte dat hij als eigenaar van de loods zeven keer zoveel moet betalen als de eigenaar van een recreatieterrein. Het Hof heeft dienaangaande geoordeeld dat de onderhavige loods en recreatieterreinen niet op relevante punten van elkaar verschillen, zodat door de in de Verordening opgenomen perceelsafbakening gelijke gevallen (recreatieterreinen en andere samenstellen met verschillende gebruikers) ongelijk worden behandeld, zonder dat daarvoor een rechtvaardiging bestaat. Het Hof heeft daarom de aan belanghebbende opgelegde aanslagen vernietigd. Het eerste cassatiemiddel van het College strekt ten betoge dat rechtens onjuist dan wel onvoldoende gemotiveerd is ’s Hofs oordeel dat de loods en recreatieterreinen kunnen worden aangemerkt als gelijke gevallen. Nu het hier gaat om een riool(bestemmings)heffing waarmee bepaalde gemeentelijke watertaken kunnen worden bekostigd, vermag de A-G tegen die achtergrond geen ongelijkheid te zien tussen een loods en een recreatieterrein welke immers beide die watertaken oproepen. Dat lijken de A-G in dit kader gelijke gevallen. Aldus faalt het eerste middel. Het tweede middel behelst dat indien de loods en recreatieterreinen al kunnen worden aangemerkt als gelijke gevallen, het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen rechtvaardiging bestaat voor de ongelijke behandeling daarvan. Het College betoogt dat de perceelsafbakening in de Verordening, die aansluit bij de WOZ-objectadministratie, kan worden gerechtvaardigd om redenen van efficiency. Het is volgens de A-G echter niet zo dat de enkele efficiency van een regeling voldoende kan zijn om het bezwaar van ongelijke behandeling van gelijke gevallen te rechtvaardigen. Naar zijn mening moet een rechtvaardigingsgrond, gegeven de geconstateerde ongelijke behandeling, zijn aan te merken als een sterk argument dat aansluit bij de specifieke wettelijke regelingen waarom het in een bepaald geval gaat. Volgens de A-G is de ratio van het aanmerken van een recreatieterrein als één perceel niet passend voor de onderhavige rioolheffing. Het is zijns inziens wel begrijpelijk dat de wisselende en soms minder overzichtelijke bezetting van een recreatieterrein, het lastig maakt bij te houden wie welk perceel inneemt. Dan is de meest praktische oplossing het gehele recreatieterrein als één perceel in aanmerking te nemen in de Wet WOZ en daarmee voor de heffing van onroerendezaak-belasting, een heffing naar de waarde. De waarde van het gehele terrein is immers in principe gelijk aan de waarden van de samenstellende delen. Echter, die ratio treft, naar de A-G meent, geen doel bij de onderhavige rioolheffing, naar vaste bedragen per perceel. Ook overigens ziet de A-G geen adequate rechtvaardigingsgrond, zodat het tweede middel faalt. Het derde middel strekt ten betoge dat het Hof, zo het al terecht heeft geoordeeld dat sprake is van discriminatie, ten onrechte alle aan belanghebbende opgelegde aanslagen geheel heeft vernietigd. Het Hof had, aldus het middel, de aanslagen proportioneel moeten verminderen. Volgens de A-G moet opheffing van de geconstateerde discriminatie hier betekenen dat de loods van belanghebbende, evenals een recreatieterrein, als één perceel wordt aangemerkt. Daarvan uitgaande is de aan de aanslagoplegging ten grondslag liggende objectafbakening in zeven percelen, gevormd door de boxen, in ernstige mate onjuist. Dat moet volgens de A-G betekenen dat de op die objectafbakening gebaseerde aanslagen geheel moeten worden vernietigd. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van het College ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken