Conclusie A-G IJzerman 30 november 2020, ECLI:NL:PHR:2020:1143

A-G IJzerman heeft conclusie genomen over de vraag of in de Verordening forensenbelasting van de gemeente Ommen, in strijd met het (grondwettelijke) gelijkheidsbeginsel onderscheid wordt gemaakt in tarief, tussen gemeubileerde woningen die al dan niet gelegen zijn op een recreatieterrein als bedoeld in artikel 16, aanhef en onderdeel e, van de Wet WOZ. Belanghebbende was in 2015 gebruiker van een recreatiewoning gelegen binnen de gemeente Ommen. De woning is weliswaar gelegen op een recreatieterrein, maar is niet onderdeel van een recreatieterrein als bedoeld in artikel 16, aanhef, en onderdeel e, van de Wet WOZ. De WOZ-waarde van de woning ligt tussen de € 60.000 en € 100.000. De heffingsambtenaar van de gemeente Ommen heeft aan belanghebbende voor het jaar 2015 een aanslag forensenbelasting opgelegd ten bedrage van € 1.025 op basis van de Verordening forensenbelasting 2015 van de gemeente Ommen. In geschil is of de Verordening verbindend is, gelet op de totstandkoming en de uitwerking ervan. Het geschil spitst zich daarbij toe op het tarief dat van toepassing is ten aanzien van gemeubileerde woningen als die van belanghebbende. Indien de woning van belanghebbende had gelegen op zo een recreatieterrein, had krachtens de Verordening een vast tarief gegolden van € 225 per jaar, ongeacht de waarde van de woning. Maar daarbuiten geldt een progressief tarief van tenminste € 755. Gezien de WOZ-waarde van de woning van belanghebbende geldt in casu een tarief van € 1.025. Belanghebbende ziet strijd met het gelijkheidsbeginsel en verlangt dat ten aanzien van zijn woning ook het tarief van € 225 wordt toegepast. Het Hof heeft vastgesteld dat voor gemeubileerde woningen die deel uitmaken van een belastingobject waarvan de waarde in het economisch verkeer is vastgesteld met toepassing van artikel 16, aanhef, en onderdeel e van de Wet WOZ, krachtens de Verordening een geheel andere heffingsmaatstaf wordt gecreëerd (het onderdeel uitmaken van zo een recreatieterrein) en dat het tarief voor deze gemeubileerde woningen wordt vastgesteld op een vast bedrag van € 225. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat de heffingsambtenaar de aanslag heeft opgelegd op grond van een regeling (de Verordening) die is getroffen in strijd is met enig algemeen rechtsbeginsel, te weten het gelijkheidsbeginsel zoals vastgelegd in onder andere artikel 1 van de Grondwet. Het Hof heeft de ongelijke behandeling weggenomen door de aanslag te verlagen tot een bedrag van € 225. Het beroep in cassatie van het College behelst dat de onderhavige regeling binnen de Verordening, geen strijd oplevert met het gelijkheidsbeginsel, zodat de Verordening onverkort moet worden toegepast. Het College heeft in de inleiding tot zijn cassatiemiddelen een klacht geformuleerd die de A-G aldus begrijpt dat het Hof in zijn behandeling van schendig van het gelijkheidsbeginsel verder is gegaan dan waarover belanghebbende heeft gesteld en aldus buiten de rechtsstrijd zou zijn getreden. Uit hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, heeft het Hof opgemaakt dat is geklaagd over schending van het gelijkheidsbeginsel. Daarbij heeft het Hof met name ook betrokken schending van het gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod als vervat in artikel 1 van de Grondwet. In casu gaat het, naar de A-G opmerkt, niet om schending van het gelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur, maar om schending van het gelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijke lagere (gemeentelijke) regelgeving. Het gaat met name om toetsing van de Verordening aan de Grondwet. Die speelt zich af binnen het recht. Op grond van artikel 8:69, tweede lid, van de Awb, vult de rechter zelf de rechtsgronden aan. De rechter is daarbij niet afhankelijk van de stellingen van een bepaalde partij. Buiten de rechtsstrijd treden kan hierbij dus niet aan de orde komen, zodat door het College ten onrechte daarover geklaagd is. De A-G meent dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat hier sprake is van gevallen die feitelijk en rechtens gelijk zijn. Het gaat om het vergelijken van kenmerken die relevant zijn voor de toepassing van de forensenbelasting. De forensenbelasting bepaalt de context. Op grond van zowel artikel 223 van de Gemeentewet als de artikelen 1 en 2 van de Verordening zijn de van belang zijnde kenmerken of het natuurlijke personen betreft, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden. Nu er aldus sprake is van gelijke gevallen die ongelijk behandeld worden, resteert de vraag of er in casu een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat voor de ongelijke behandeling van gelijk te achten gevallen. Van de kant van het College is gewezen op gronden als efficiencyredenen en omdat gemeubileerde woningen die onderdeel uitmaken van een recreatiesamenstel veelal een geringe waarde hebben. De A-G acht de aangevoerde gronden echter onvoldoende om de geconstateerde ongelijke behandeling te rechtvaardigen. De conclusie strekt ertoe dat het principale beroep in cassatie van het College ongegrond dient te worden verklaard en het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende, wegens gebrek aan geldelijk belang, niet-ontvankelijk.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken