Conclusie 8 december 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1529
Klachtprocedure ex art. 13a RO. Klachten over een door verweerder (destijds raadsheer in buitengewone dienst en waarnemend AG) op verzoek van een procespartij geschreven verklaring t.b.v. een voor de Belgische rechter spelende procedure waarbij klager (weder)partij is, in welke verklaring verweerder een opinie geeft over de slagingskans van een door klager geïnitieerde vernietigingsprocedure bij de Rb Den Haag. 1) De klacht dat verweerder art. 12 RO heeft geschonden is ongegrond. Vaststond dat het in de vernietigingsprocedure aan de orde zijnde geschil, gelet op het bereiken van de wettelijke leeftijdsgrens van zeventig jaren, niet aan verweerder als lid van de HR zou kunnen worden voorgelegd. 2) De klacht dat verweerder door het geven van de verklaring zich ‘niet behoorlijk’ heeft gedragen a.b.i. art. 13f RO is gegrond. Het is i.h.a. ongewenst dat een lid van de HR een opinie geeft over de slagingskans van een bij de Nederlandse rechter aanhangige procedure. Gelet op de feiten en omstandigheden van het geval is de HR van oordeel dat verweerder door het uitbrengen van zijn verklaring zich onbehoorlijk heeft gedragen i.d.z.v. van art. 13f RO.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 30 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 200 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 12 RO
- Artikel 13a RO
- Artikel 13b RO
- Artikel 13f RO
- Artikel 14 RO
- Artikel 24 RO
- Artikel 75 RO
- Artikel 113 RO
- Artikel 119 RO
- Artikel 120 RO
- Artikel 297 Gw
- Artikel 510 Sv
- Artikel 80 ARAR
- Artikel 7 Wet RvS
- Artikel 9:1 Awb
- Artikel 9:36 Awb
- Artikel 44 Wrra
- Artikel 46c Wrra
Aangehaalde uitspraken
- Rb. Den Haag 20 april 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:4229
- Rb. Amsterdam 22 maart 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:1663
- Rb. Den Haag 2 februari 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:4401
- HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:511
- HR 13 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU3447
- HR 20 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9014
- HR 13 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5455