Conclusie A-G Niessen 28 juli 2015, ECLI:NL:PHR:2015:1696
Op verzoek van belanghebbende is de dienstbetrekking tussen hem en zijn (voormalige) werkgever op 8 januari 2009 door de kantonrechter ontbonden. Hierbij heeft de kantonrechter aan belanghebbende een schadeloosstelling toegekend van € 35.000. In 2011 zijn belanghebbende en de werkgever een mediationtraject gestart teneinde tot een oplossing te komen van hun conflicten ter zake van het recht van belanghebbende op (bovenwettelijke) WW en de afwikkeling van belanghebbendes pensioenopbouw. In een op 13 oktober 2011 tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst is overeengekomen dat de werkgever aan belanghebbende zal vergoeden een bedrag van € 175.000, zijnde € 90.000 voor WW en bovenwettelijke WW en € 85.000 ter ‘vergoeding van immateriële schade’. In geschil is of de aan belanghebbende toegekende vergoeding van € 85.000 belast is als loon uit (vroegere) dienstbetrekking in de zin van art. 10 van de Wet LB 1964. Volgens het Hof vloeit het door de werkgever toegekende bedrag rechtstreeks voort uit de (vroegere) dienstbetrekking tussen de werkgever en belanghebbende, zodat het volledige bedrag tot het loon uit dienstbetrekking dient te worden gerekend. Belanghebbende heeft volgens het Hof niet aannemelijk gemaakt dat de vergoeding moet worden aangemerkt als onbelaste vergoeding van door hem geleden immateriële schade, dan wel dat de vergoeding mede een ander doel diende dan vervanging van door hem gederfd of te derven loon uit (vroegere) dienstbetrekking. Het Hof oordeelt tot slot dat, mocht belanghebbende hebben bedoeld dat de vergoeding strekte tot vergoeding voor het psychisch leed dat belanghebbende heeft ondervonden door de wijze waarop hem ontslag is aangezegd en de behandeling die hem voorafgaand aan en bij dat ontslag van de zijde van de werkgever is ten deel gevallen, sprake is van psychisch leed dat inherent is aan de afwikkeling van de dienstbetrekking door onvrijwillig ontslag. Ook een zodanige vergoeding kwalificeert als loon. Belanghebbende heeft vier cassatiemiddelen voorgesteld, die hoofdzakelijk inhouden dat: (i) de in 2011 overeengekomen vergoeding van € 85.000 niet gericht kon zijn op beëindiging van de dienstbetrekking, omdat de arbeidsovereenkomst reeds in 2009 was ontbonden, en ter gelegenheid hiervan de kantonrechter reeds een ontslagvergoeding aan belanghebbende had toegekend van € 35.000; (ii) het Hof aan zijn oordeel dat geen sprake is van een vergoeding van immateriële schade, ten onrechte het oordeel heeft verbonden dat dús sprake is van loon uit dienstbetrekking; (iii) van psychisch leed dat inherent is aan de afwikkeling van onvrijwillig ontslag geen sprake kan zijn, omdat de arbeidsovereenkomst op eigen verzoek van belanghebbende is ontbonden, en (iv) het Hof zich in hoger beroep ten onrechte niet heeft uitgelaten over de klacht van belanghebbende, dat het onbehoorlijk bestuur is geweest van de Inspecteur om de administratieve afdeling van belanghebbendes werkgever erop te wijzen dat op de vergoeding loonheffing moet worden ingehouden. Ter zake van het eerste en het tweede middel merkt A-G Niessen op dat vergoedingen die door een werkgever aan zijn werknemer zijn verstrekt in het kader van zijn ontslag, behoren tot het loon uit dienstbetrekking (HR BNB 1977/167), tenzij zij geen dan wel onvoldoende verband houden met de dienstbetrekking (HR BNB 1987/248). Dit geldt ook ter zake van vergoedingen die zijn verstrekt ter vergoeding van immateriële schade (HR BNB 1993/134). De bewijslast dienaangaande rust op de belastingplichtige (HR BNB 1993/134). Gezien het voorgaande berust het oordeel van het Hof niet op een onjuiste rechtsopvatting, en is het voor het overige voldoende gemotiveerd. Het Hof heeft immers eerst vastgesteld dat de vergoeding rechtstreeks voortvloeit uit de dienstbetrekking, zodat het tot het loon moet worden gerekend, en heeft vervolgens – onder verwijzing naar door belanghebbende aangebrachte bewijsstukken – gemotiveerd en niet-onbegrijpelijk geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vergoeding onvoldoende verband houdt met de dienstbetrekking. Beide middelen falen. Bij de behandeling van het derde middel wijst de A-G op HR BNB 1993/210, waarin is geoordeeld dat indien sprake is van psychisch leed dat inherent is aan de afwikkeling van de dienstbetrekking door onvrijwillig ontslag, een vergoeding hiertoe kwalificeert als loon. Of zodanige psychische schade zich voordoet, wordt volgens de A-G beoordeeld aan de hand van de wijze waarop de belastingplichtige het ontslag is aangezegd en de behandeling die de belastingplichtige bij dat ontslag van de zijde van de werkgever ten deel is gevallen. Volgens de A-G is voor toepassing van dit criterium geenszins vereist dat sprake is van onvrijwillig ontslag, in die zin dat de dienstbetrekking van de werknemer (geheel) op initiatief van de werkgever moet zijn beëindigd. Van belang is immers (slechts) of, gezien de hiervoor genoemde omstandigheden, de (psychische) schade die belanghebbende heeft geleden voldoende verband houdt met de dienstbetrekking opdat de vergoeding als daaruit genoten kan worden aangemerkt. Het criterium genoemd in HR BNB 1993/210 is slechts een voorbeeld van een geval waarin de vergoeding wél geacht wordt voldoende verband te houden met de dienstbetrekking. Ook het derde middel van belanghebbende faalt. Ter zake van het vierde middel stelt de A-G dat, aangezien de genoemde klacht niet tot een vermindering van de heffing kan leiden en gesteld noch gebleken is dat belanghebbende als gevolg van de brief van de Inspecteur schade heeft geleden, de klacht niet tot cassatie kan leiden. Ook het vierde middel van belanghebbende faalt. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:141
- Hof Arnhem-Leeuwarden 17 december 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:9824
- Rb. Gelderland 10 september 2013, ECLI:NL:RBGEL:2013:2828
- Hof Arnhem-Leeuwarden 25 juni 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:5460
- Hof Arnhem 10 juli 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BX4777
- Hof Arnhem 2 november 2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BO4478
- Rb. Haarlem 10 november 2009, ECLI:NL:RBHAA:2009:BK3168
- Hof Arnhem 31 maart 2009, ECLI:NL:GHARN:2009:BI0792
- HR 8 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB3896
- Hof Arnhem 17 maart 2004, ECLI:NL:GHARN:2004:AO7871
- Hof 's-Hertogenbosch 15 september 2003, ECLI:NL:GHSHE:2003:AN9565
- Hof Arnhem 29 januari 2003, ECLI:NL:GHARN:2003:AF4615
- Hof Arnhem 17 april 2001, ECLI:NL:GHARN:2001:AB1625
- HR 21 februari 2001, ECLI:NL:HR:2001:BI7666
- HR 3 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5679
- HR 27 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2652
- Hof Arnhem 6 augustus 1998, ECLI:NL:GHARN:1998:AA1245
- HR 11 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2440
- Hof Amsterdam 26 januari 1995, ECLI:NL:GHAMS:1995:AW1379
- Hof Amsterdam 12 oktober 1994, ECLI:NL:GHAMS:1994:AW2778