Conclusie A-G IJzerman 20 december 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1420
A-G IJzerman heeft conclusie genomen naar aanleiding van het beroep in cassatie van belanghebbende tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 juni 2018, nr. 16/01372, ECLI:NL:GHARL:2018:5650. Belanghebbende is een woningstichting die aan het begin van het belastingjaar 2013 genothebbende krachtens eigendom was van percelen in de gemeente Noordenveld. De heffingsambtenaar van de gemeente heeft aan belanghebbende voor die percelen, op grond van de Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing 2013, aanslagen in de rioolheffing opgelegd naar een te betalen bedrag van in totaal € 89.958,60. De Rechtbank Noord-Nederland is gekomen tot het oordeel dat de Verordening gedeeltelijk onverbindend is, omdat de post ‘Mutatie reserve’ uit de raming van relevante kosten moet worden verwijderd. Dienovereenkomstig zijn de aanslagen verminderd, met ongeveer 3 percent. De heffingsambtenaar heeft tegen die uitspraak geen hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep bij het Hof van belanghebbende is gericht op volledige onverbindendheid van de Verordening, althans gedeeltelijke onverbindendheid in meerdere mate. Het Hof heeft dit hoger beroep ongegrond verklaard, waarna belanghebbende beroep in cassatie heeft ingesteld. Zij draagt één middel voor, bestaande uit vier middelonderdelen. De eerste twee middelonderdelen bestrijden dat via de rioolheffing ook kosten voor baggeren en oeveronderhoud van zogenoemde schouwsloten, als gemaakt door de gemeente, mag verhalen. Schouwsloten zijn sloten die landeigenaren zelf moeten onderhouden en die het waterschap slechts ‘schouwt’. Belanghebbende bestrijdt, onder verwijzing naar parlementaire geschiedenis, dat deze kosten samenhangen met de in artikel 228a van de Gemeentewet genoemde gemeentelijke watertaken waarop de rioolheffing ziet. Rechtbank en Hof hebben evenwel geoordeeld dat de gemeente deze kosten, als samenhangend met haar zorgplicht voor afvloeiend hemelwater, via de rioolheffing mag verhalen. In het kader van de afvoer van afvloeiend hemelwater in schouwsloten kan een gemeente het volgens de A-G tot haar taak rekenen zodanige voorzieningen te treffen dat die afvoer goed kan geschieden. Immers, als dat niet goed lukt, kunnen grote plassen op straten blijven staan, kunnen kelders onderlopen, et cetera. Daarmee komt betekenis toe aan ’s Hofs overwegingen dat de schouwsloten (mede) dienen voor de inzameling en transport van het hemelwater en als bergingscapaciteit voor hemelwater. Samenhang van door een gemeente gemaakte kosten met een oppervlaktewater, dat als zodanig niet in beheer is bij een gemeente, sluit volgens de A-G niet uit dat tevens samenhang kan bestaan met de gemeentelijke zorgplicht voor afvloeiend hemelwater. Immers, als de schouwsloten niet goed afvoeren, kan daarop na verloop van tijd geen afvloeiend hemelwater meer worden geloosd, zodat de gemeentelijke zorgplicht voor afvloeiend hemelwater in het gedrang komt. De A-G meent dat het Hof geen onjuiste maatstaven heeft aangelegd en op begrijpelijke wijze is gekomen tot zijn oordeel dat de door de gemeente gemaakte en in de raming betrokken kosten van het onderhoud aan schouwsloten, althans in voldoende mate, direct verband houden met de gemeentelijke zorgplicht voor hemelwater, zodat die kosten mogen worden verhaald via de rioolheffing. Daarop stuiten het eerste en tweede middelonderdeel af. De tweede kwestie die in cassatie aan de orde wordt gesteld is, hoe in de berekening van kapitaallasten van investeringsgoederen rekening mag worden gehouden met omzetbelasting waarvoor recht bestaat op vergoeding uit het BTW-compensatiefonds. In artikel 228a, derde lid, van de Gemeentewet is bepaald dat onder kosten voor de in het eerste lid van die bepaling genoemde gemeentelijke watertaken ook wordt verstaan omzetbelasting waarvoor recht op vergoeding uit het BTW-compensatiefonds bestaat. De voorliggende vraag is of naast een afschrijvingscomponent met betrekking tot die omzetbelasting ook een rentecomponent in de kapitaallasten mag worden begrepen. Rechtbank en Hof hebben die vraag bevestigend beantwoord. De A-G merkt op dat in de parlementaire geschiedenis niet wordt gesproken over financieringsrente in het kader van BTW-compensatie. Volgens de A-G moet voor de beantwoording nu worden teruggevallen op het realiteitsbeginsel. Dit houdt hier zijns inziens in dat het niet reëel is rente te berekenen over een schuld of kapitaalbeslag dat er niet meer is, in casu na compensatie van gefactureerde btw. Het derde middelonderdeel slaagt. Ten slotte heeft belanghebbende geklaagd dat rioolheffing van haar als eigenaar van verhuurde woningen, in strijd is met het beginsel van ‘de vervuiler betaalt’ uit de EU-Kaderrichtlijn Water ; dit ondanks inmiddels gewezen jurisprudentie in andere zin. De A-G wil het daarbij laten en ziet geen reden alsnog prejudiciële vragen te stellen. Het vierde middelonderdeel faalt. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof Arnhem-Leeuwarden 19 juni 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:5650
- Hof Arnhem-Leeuwarden 27 februari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:1896
- HR 8 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3082
- HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:253
- Conclusie A-G IJzerman 23 november 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1199
- Rb. Noord-Nederland 21 juli 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:3434
- Hof Arnhem-Leeuwarden 16 februari 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:1154
- HR 13 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:282
- HR 16 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:67
- HR 23 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1192
- HR 13 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7248
- HR 4 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0990
- HR 10 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BC3691
- HR 17 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU2717
- HR 4 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AP1951
- HR 31 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2720
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2004:17
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2009:479
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2010:126