Conclusie A-G IJzerman 23 juni 2015, ECLI:NL:PHR:2015:997

Belanghebbende is gebruiker van een tot winkel dienende onroerende zaak te Den Haag. Deze is gelegen in een gebied dat door de gemeente is aangewezen als Bedrijven Investeringszone (BI-zone) waarbinnen BIZ-bijdrage wordt geheven. De raad van de gemeente Den Haag heeft de Verordening BI-zone Zeeheldenkwartier 2012 (de Verordening) vastgesteld. Uit de nadien gehouden draagvlakmeting (een stemming onder bij de gemeente bekende bijdrageplichtigen) is gebleken dat er voldoende steun is voor de Verordening. Die is daarom per 1 januari 2012 in werking getreden. Aan belanghebbende is op 31 mei 2012 voor het jaar 2012 een aanslag in de BIZ-bijdrage opgelegd ten bedrage van € 250. Belanghebbendes bezwaar is door de Inspecteur ongegrond verklaard. Bij de Rechtbank en het Hof heeft belanghebbende evenmin succes gehad. Tegen de Hofuitspraak komt belanghebbende thans op in cassatie onder aanvoering van vijf middelen. Het eerste en tweede middel hebben betrekking op belanghebbendes stelling dat bij verzending van het stembiljet per post, voor ontvangst moet worden getekend. De A-G meent echter dat dit niet blijkt uit de wettekst of de parlementaire geschiedenis daarvan, noch uit enige beleidsregel, zodat het eerste en tweede middel falen. Het derde middel ziet op artikel 7, lid 2, sub a, Experimentenwet BI-zones dat bepaalt dat de vast te stellen gemeentelijke verordening uitsluitend aanwijst een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid. Dit vat de A-G civielrechtelijk op als een vereniging die is opgericht bij notariële akte. Het komt de A-G voor dat in casu de vereniging op 26 april 2012 bij notariële akte is opgericht. Uit de door het Hof vastgestelde feiten blijkt dat de Verordening (i) is vastgesteld op 6 oktober 2011, (ii) bekendgemaakt is op 19 oktober 2011 en (iii) in werking is getreden op 1 januari 2012. Een en ander betekent volgens de A-G dat op geen van die tijdstippen in artikel 2 van de Verordening, in strijd met artikel 7, lid 2 van de Experimentenwet BI-zones, een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid kon worden aangewezen. De A-G meent dat de Verordening daardoor onverbindend is te achten in de periode van 1 januari 2012 tot 26 april 2012, terwijl in casu het belastbare feit zich heeft voorgedaan in deze periode, namelijk op 1 januari 2012. Het gevolg daarvan is naar zijn mening dat de onderhavige aanslag in de BIZ-bijdrage, ten bedrage van € 250, is opgelegd zonder grondslag in een verbindende verordening, zodat die aanslag moet worden vernietigd. Het derde middel slaagt. Anders dan wordt gesteld in het vierde middel meent de A-G dat er hier geen sprake is van verkapte verenigings- of contributieplicht, zodat het vierde middel faalt. In het vijfde middel stelt belanghebbende dat er sprake zou zijn van een onvoldoende afweging van de belangen van de voor- en tegenstanders van de invoering van een BI-zone. Het gaat belanghebbende kennelijk met name om de belangen van de tegenstanders. Zij zouden onvoldoende zijn gewezen op de invloed die een ingezonden stembiljet heeft op de weging van de uitslag, door in de begeleidende brief uitsluitend te benadrukken dat het stembiljet moet worden ingezonden, terwijl zij twee keuzemogelijkheden hebben: niet insturen of nee aankruisen en wel insturen. De A-G kan de lezing en gevolgtrekking van belanghebbende niet onderschrijven, zodat het vijfde middel faalt. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken