Conclusie A-G Wattel 18 juni 2015, ECLI:NL:PHR:2015:996

Verlaging overdrachtsbelasting; schending gelijkheidsbeginsel of eigendomsgrondrecht? Verzoek om prejudiciële verwijzing; Kan een verwijzingsplichtige rechter zo’n verzoek ongemotiveerd passeren of vereenvoudigd afdoen met toepassing van art. 80a of 81 Wet RO? Feiten: De belanghebbenden hebben een woning gekocht die op 1 juni 2011 aan hen is geleverd. Zij hebben overdrachtsbelasting voldaan naar een tarief van 6%. Nadien is het tarief voor de verkrijging van een woning op of na 15 juni 2011 verlaagd naar 2%. De belanghebbenden hebben tevergeefs bezwaar gemaakt tegen hun voldoening op aangifte en vergeefs verzocht om toekenning van een dwangsom wegens niet tijdig beslissen op bezwaar. De Rechtbank heeft de beroepen van de belanghebbenden ongegrond verklaard, onder meer overwegende dat het EU-Handvest niet toepasselijk is omdat geen uitvoering van Unierecht aan de orde is, dat de overdrachtsbelasting wordt berekend naar het tijdstip van de verkrijging, waaraan niet afdoet dat ingevolge art. 26(2) AWR tegen de voldoening bezwaar en beroep kan worden ingesteld, dat geen sprake is van met het verdragsrecht strijdige discriminatie (HR BNB 2013/217) en dat het eigendomsrecht van art. 1 Protocol I EVRM niet is geschonden. Voorts ontbrak volgens de Rechtbank een voor de toekenning van een dwangsom vereiste ingebrekestelling. Het Hof heeft mede met overneming van de gronden van de Rechtbank dier uitspraken bevestigd. De belanghebbenden stellen in cassatie twee middelen voor: (I) het Hof is onvoldoende ingegaan op de stelling dat het eigendomsrecht, het discriminatieverbod en algemene rechtsbeginselen zijn geschonden; (II) het Hof is voorbij gegaan aan de stelling dat de eis dat een ingebrekestelling een ‘manen’ moet inhouden niet op de wet berust. De belanghebbenden verzoeken om drie door hen geformuleerde vragen over het EU-Handvest en over het ontbreken van constitutionele toetsing en van toetsing aan algemene rechtsbeginselen aan het HvJ EU voor te leggen. A-G Wattel heeft de zaken geselecteerd in verband met de vraag hoe (on)gemotiveerd een verwijzingsplichtige nationale rechter moet/mag reageren op een enigszins gemotiveerd verzoek om prejudiciële wijziging. Hij gaat daarom niet in op middel (II). Middel I faalt volgens hem omdat het Hof wél voldoende op de stelling van de belanghebbenden is ingegaan, en voor zover dat niet het geval zou zijn omdat (i) de formele wet niet aan ongeschreven algemene rechtsbeginselen getoetst kan worden die geen uitdrukking hebben gevonden in een ieder verbindende bepalingen van internationaal of EU-recht (HR NJ 1989, 469); (ii) het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden (HR BNB 2013/316), (iii) het eigendomsgrondrecht ex art. 1 Protocol I EVRM niet is geschonden (onder meer EHRM M.A. v Finland), (iv) het EU-Handvest van de Grondrechten niet van toepassing is omdat het om een volledig interne situatie gaat zonder enig aanknopingspunt met Unierecht (onder meer HvJ EU Åkerberg Fransson), (v) het EU-burgerschap op zichzelf onvoldoende aanknopingspunt met EU-recht vormt om het EU-Handvest te activeren (onder meer HvJ EU Ruiz Zambrano) en (vi) het middel ten onrechte veronderstelt dat ter zake van het eigendomsgrondrecht onvoldoende toegang tot de rechter of onvoldoende rechtsbescherming zou bestaan. De vraag is of de Hoge Raad middel (I) en daarmee het verzoek om prejudiciële verwijzing kan verwerpen met als enige motivering verwijzing naar art. 80a of art. 81 RO. Volgens A-G Wattel volgt uit de EHRM-zaken Ullens de Schooten, Vergauwen, Stichting mothers of Srebrenica en Dhahbi dat indien door (een van) de partijen uitdrukkelijk is verzocht om prejudiciële vragen te stellen over de uitleg van Unierecht, een laatste instantie nationale rechter er blijk van moet geven dat verzoek gezien en beoordeeld te hebben. De verwijzingsplichtige rechter die een zodanig verzoek passeert moet voorts die weigering zodanig motiveren dat de partijen uit de uitspraak kunnen opmaken waarom de opgeworpen vraag irrelevant is, of reeds éclairé is (in welk geval Dhahbi lijkt te impliceren dat de desbetreffende rechtspraak van het HvJ EU genoemd moet worden), c.q. dat sprake is van een acte clair. De strafkamer van de Hoge Raad heeft zich daarom volgens de A-G bij arrest van 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1332 ter zake van de verkorte afdoening ex de artt. 80a en 81 Wet RO te snel aangesloten bij de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de RvS van 5 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:785, waarin de Afdeling op basis van het volgens de AG niet relevante EHRM-arrest Hansen oordeelde dat de EHRM-rechtspraak niet in de weg staat aan passeren van een verzoek om prejudiciële verwijzing met als enige motivering een verwijzing naar art. 91(2) Vreemdelingenwet (“de aangevoerde grief kan niet tot vernietiging leiden”). De EHRM-rechtspraak die wél over het passeren van verzoeken om prejudiciële verwijzing door verwijzingsplichtige nationale rechters gaat, noopt er zijns inziens toe dat een laatste instantie rechter die door (een van) de partijen uitdrukkelijk en enigszins gemotiveerd wordt verzocht om prejudiciële vragen te stellen, dat verzoek minstens moet vermelden in zijn uitspraak, en bij passeren zulks moet motiveren door een Cilfit-grond aan te wijzen en summier te verklaren (bij acte éclairé naar die acte verwijzen en bij irrelevantie de reden waaróm de opgeworpen vraag irrelevant is). Blote verwijzing naar art. 91(2) Vw 2000, art. 80a of 81 Wet RO voldoet daar niet aan. Conclusie: de A-G geeft de Hoge Raad in overweging de zaak aan te houden en het HvJ EU in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de vragen of (i) art. 267 VwEU en/of art. 47 van het Handvest van de Grondrechten zich ertegen verzet, gezien de EHRM-arresten Çelik, Ullens de Schooten, Vergauwen en Dhahbi, dat een verwijzingsplichtige nationale rechter, in een zaak waarin (een van) de partijen hem uitdrukkelijk heeft verzocht om prejudicieel vragen over de uitleg van EU-recht te verwijzen, maar zulke vragen zijns inziens geen zin hebben, in verband met noodzakelijke werklastbeheersing dat verzoek ongemotiveerd passeert dan wel alle klachten in die zaak ineens vereenvoudigd afdoet met de 80a RO-formule of de 81 RO-formule; (ii) het daarbij uitmaakt in welke mate het verzoek om verwijzing gemotiveerd is of gedocumenteerd met verwijzing naar EU-recht; (iii) het daarbij uitmaakt of voorafgaand aan het aldus passeren van het verzoek om prejudiciële verwijzing het parket bij die nationale rechter in een conclusie waarop de partijen hebben kunnen reageren (summier) heeft gemotiveerd waarom geen aanleiding tot prejudiciële verwijzing bestaat.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken