HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:96
Conclusie m.b.t. de door het Parket voorgestane zienswijze omtrent de door het Parket voorgestane verandering in de tot nu toe door het Parket in de praktijk gevolgde werkwijze m.b.t. het innemen van – schriftelijke – standpunten strekkende tot toepassing van art. 80a RO erop neerkomende dat het Parket zal gaan afzien van het geven van een standpunt over de toepassing van art. 80a RO. HR: tekst noch strekking van art. 80a RO verzet zich ertegen dat het Parket afziet van het innemen van een standpunt over de toepassing van art. 80a RO. Het voorschrift van art. 439.1 Sv dat de PG een op schrift gestelde conclusie neemt, staat daaraan niet in de weg, aangezien deze bepaling het oog heeft op andere gevallen dan de in art. 80a RO bedoelde. Wanneer de PG afziet van het innemen van een standpunt over de toepassing van art. 80a RO dan wel op de daarvoor bepaalde rechtsdag mondeling het standpunt inneemt dat art. 80a RO kan worden toegepast – en dus niet een op schrift gestelde conclusie neemt waarvan ingevolge art. 439.3 Sv een afschrift aan de raadsman wordt toegezonden -, is voor schriftelijk commentaar op de conclusie (Borgersbrief) a.b.i. art. 439.5 Sv geen plaats. In het geval dat de HR van oordeel is dat de zaak zich niet leent voor toepassing van art. 80a RO zal de PG op een daartoe bepaalde rechtsdag zijn op schrift gestelde conclusie nemen en zal de raadsman van verdachte dan wel de advocaat van de b.p. zijn schriftelijk commentaar aan de HR kunnen doen toekomen. HR: 80a RO
De uitspraak op rechtspraak.nl