Conclusie A-G Niessen 10 juni 2015, ECLI:NL:PHR:2015:2196

[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) heeft in de aangiften loonbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: LB/PVV) voor de jaren 2010 en 2011 afdrachtvermindering onderwijs geclaimd onder andere ter zake van een door 67 werknemers gevolgd maatwerkopleidingstraject. De afdrachtvermindering wordt geweigerd, voor zover deze ziet op laatstgenoemde opleidingstraject, en de Inspecteur legt een naheffingsaanslag op over de periode 1 januari 2010 tot en met 31 maart 2011. Het geschil in cassatie betreft de vraag of de door de 67 werknemers gevolgde deelkwalificatie Praktijk/Basisoperator als een voor de Wva kwalificerende beroepsopleiding aangemerkt kan worden. In geschil is bovendien of de praktijkovereenkomst voldoet aan alle hieraan gestelde voorwaarden. Ten slotte is in geschil vanaf welk tijdstip geen gebruik meer gemaakt kan worden van de afdrachtvermindering onderwijs. De door de deelnemers gevolgde deelkwalificatie van de Assistentenopleiding Basisoperator – Praktijk/Basisoperator – kan, naar het oordeel van de A-G, gelet op de ratio van de afdrachtvermindering onderwijs als een voor de Wva kwalificerende beroepsopleiding worden aangemerkt, mits deze deelkwalificatie alle onderdelen van de beroepsopleiding die gericht zijn op het onderricht in de praktijk omvat. Aangezien gesteld nog gebleken is dat dit niet het geval is, komt de A-G tot de conclusie dat het volgen van de deelkwalificatie ‘Praktijk/Basisoperator’ voldoende is om in aanmerking te komen voor de afdrachtvermindering onderwijs. De A-G betoogt ter zake van het tweede geschilpunt dat het oordeel van het Hof dat het bestaan van een schriftelijke overeenkomst op het inhoudingstijdstip geen constitutief vereiste is, gelet op de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Met betrekking tot de klachten van de Staatssecretaris omtrent de ondertekening van de praktijkovereenkomsten oordeelt de A-G dat − gelet op het feitelijke oordeel van het Hof dat de praktijkovereenkomst, de [M] overeenkomst en de Onderwijs- en Examenregeling tezamen één overeenkomst vormen − slechts de deelnemers en het kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven de praktijkovereenkomsten na het inhoudingstijdstip hebben ondertekend. Gelet op het informatieve doel van de handtekening van het kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven, doet de te late ondertekening van de praktijkovereenkomsten door dit kenniscentrum niet af aan het recht van belanghebbende op afdrachtvermindering. De te late ondertekening door de deelnemers aan het onderwijs doet hier, naar het oordeel van de A-G, ook niet aan af, omdat het – gelet op de door het Hof vastgestelde feiten – aannemelijk is dat de deelnemers reeds op of vóór het inhoudingstijdstip een mondelinge praktijkovereenkomst zijn aangegaan. Aangezien het ondertekenen door de deelnemers van de praktijkovereenkomst geen constitutieve voorwaarde is en er voldoende feitelijk bewijs is om aannemelijk te maken dat ook de 11 deelnemers die de praktijkovereenkomst niet ondertekend hebben het praktijkonderwijs gevolgd hebben, faalt ook de klacht van de Staatssecretaris die zich richt op het ontbreken van deze handtekeningen. De A-G merkt vervolgens op dat de onjuiste vermelding van de aanvangsdatum zonder gevolgen blijft, aangezien aan het wettelijk vereiste van vermelding van de aanvangsdatum was voldaan; vaststaat dat door een abuis de schriftelijke vastlegging van de overeenkomst niet inhield hetgeen partijen werkelijk waren overeengekomen en hadden uitgevoerd. De A-G oordeelt kortom dat het middel van de Staatssecretaris met betrekking tot de formele gebreken in de praktijkovereenkomsten op voornoemde gronden faalt. A-G Niessen meent echter dat de gepretendeerde feilen ook op basis van een andere grond niet tot weigering van de afdrachtvermindering kunnen leiden. Uit de door het Hof vastgestelde feiten vloeit, zo overweegt de A-G, namelijk voort dat een belangenafweging als bedoeld in art. 3:4 van de Awb tot gevolg zou hebben dat ook indien de formele gebreken met betrekking tot de praktijkovereenkomsten niet geheeld zouden kunnen worden, een weigering van de afdrachtvermindering gelet op alle betrokken belangen niet gerechtvaardigd zou zijn. A-G Niessen komt met betrekking tot het tijdstip vanaf wanneer geen recht meer bestaat op afdrachtvermindering tot het oordeel dat dit – overeenkomstig het spraakgebruik – het moment is waarop wordt vastgesteld dat de deelnemende werknemer is geslaagd. Het beroep in cassatie van de Staatssecretaris slaagt in zoverre. Verwijzing is nodig om het juiste tijdstip in deze zaak vast te stellen. De conclusie van de A-G strekt tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie van de Staatssecretaris en tot verwijzing van het geding naar een ander gerechtshof.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken