Conclusie A-G IJzerman 2 december 2014, ECLI:NL:PHR:2014:2268

A-G IJzerman heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 14/02967 naar aanleiding van het beroep in cassatie van het college van Burgemeester en Wethouders (hierna: het College) van de gemeente Roermond, alsmede het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende, tegen de uitspraak van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 2 mei 2014, nr. 13/00050, ECLI:NL:GHSHE:2014:1219, BB 2014/246, NTFR 2014/1606. Belanghebbende heeft op 29 september 2011 een aanvraag tot het aan hem verstrekken van een Nederlandse identiteitskaart (NIK) ingediend bij de gemeente Roermond. Naar aanleiding daarvan heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Roermond bij schriftelijke kennisgeving van dezelfde datum een bedrag van € 43,75 aan rechten geheven terzake van de aanvraag van een NIK. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen die heffing. Bij arrest van 9 september 2011 had de Hoge Raad geoordeeld dat het in behandeling nemen van een NIK-aanvraag, gelet op de functie die de NIK voor de bezitter heeft met betrekking tot zijn algemene identificatieplicht, geen dienst is in de zin van artikel 229, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet. Dat betekende dat uit hoofde van een legesverordening, wegens gebrek aan formeel wettelijke grondslag in de Gemeentewet, terzake geen leges konden worden geheven. Daarin beoogt de Reparatiewet van 13 oktober 2011 te voorzien. Deze procedure ziet op de vraag of de heffingsambtenaar de NIK-leges heeft mogen heffen van belanghebbende. In geschil is of de Reparatiewet een deugdelijke grondslag biedt voor de heffing en, zo ja, of die grondslag met terugwerkende kracht kan worden verschaft. Het Hof heeft geoordeeld dat artikel 3 van de Reparatiewet, dat de terugwerkende kracht regelt, niet in strijd is met het Eerste Protocol bij het EVRM en dat terugwerkende kracht die volgt uit de Reparatiewet overigens niet kan worden getoetst. Het Hof heeft geoordeeld dat artikel 2, lid 1, van de Reparatiewet op zichzelf voor de aanslag geen deugdelijke juridische grondslag bood, terwijl de Legesverordening 2011 niet (tijdig) door de gemeenteraad was gewijzigd, zoals mogelijk zou zijn geweest ingevolge de Reparatiewet om de onderhavige heffing (alsnog) mogelijk te maken. Daarom heeft het Hof de aanslag vernietigd wegens gebrek aan juridische grondslag. In cassatie stelt het College dat het Hof de Reparatiewet onjuist heeft uitgelegd en heeft toegepast. Het College betoogt dat anders dan het Hof heeft geoordeeld, de Reparatiewet de (inhoud van de) Legesverordening 2011 niet wijzigt en dat de Legesverordening 2011 ook niet behoefde te worden gewijzigd om tot de onderhavige legesheffing te kunnen komen. Het College betoogt in cassatie voorts dat het Hof heeft miskend dat de Gemeentewet niet voor de Reparatiewet gaat en dat het Hof in strijd met het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet en artikel 11 van de Wet algemene bepalingen, de Reparatiewet aan de Grondwet heeft getoetst. Ook heeft het Hof zijn uitspraak onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Aldus het College. De A-G merkt op dat artikel 1 van de Reparatiewet voorziet in een nieuwe formeel wettelijke grondslag voor de heffing van rechten (leges), krachtens een gemeentelijke (leges)verordening, ten behoeve van de aanvraag van een NIK. Artikel 2, lid 1, van de Reparatiewet bewerkstelligt dat (bestaande) gemeentelijke belastingverordeningen ter zake van het heffen van de in artikel 1 van de Reparatiewet bedoelde rechten niet langer berusten op artikel 229, lid 1, letter b, van de Gemeentewet, maar vanaf de inwerkingtreding van de Reparatiewet berusten op artikel 1 van de Reparatiewet. Daarbij merkt de A-G op dat hier naar zijn mening geen sprake is van het uitoefenen van een verordenende bevoegdheid van de wetgever in formele zin. De functie van de Reparatiewet is om alsnog een formeel wettelijke grondslag te verschaffen aan (bestaande) gemeentelijke heffingsverordeningen. Dat betekent volgens de A-G dat ten tijde van de inwerkingtreding van de Reparatiewet geldende gemeentelijke legesverordeningen zonder aanpassing de grondslag bieden voor het heffen van de in die verordeningen genoemde bedragen in verband met het aanvragen van een NIK. De A-G meent dan ook dat het Hof de Reparatiewet onjuist heeft uitgelegd door te oordelen dat de ongewijzigde Legesverordening 2011 evenmin kan worden geacht te zijn gebaseerd op artikel 1 van de Reparatiewet. Dat kan volgens de A-G aldus wel dat de Reparatiewet de formeel wettelijke grondslag is gaan bieden die de Gemeentewet, volgens eerder arrest van de Hoge Raad, niet bood. Daarmee slaagt het middel van het College. Belanghebbende heeft voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie ingesteld, waarin hij stelt dat - als het oordeel van het Hof geen stand houdt - onder meer zijn stelling dat de opbrengstlimiet van artikel 229b van de Gemeentewet is overschreden nog behandeld dient te worden. Voorts is volgens belanghebbende het oordeel van het Hof inzake de terugwerkende kracht in strijd is met het recht en onvoldoende is gemotiveerd. De A-G constateert dat tijdens het debat in de Tweede en Eerste Kamer de aan de Reparatiewet verleende terugwerkende kracht uitvoerig aan de orde is gekomen en vervolgens, op inhoudelijke gronden, is aanvaard. Dat is dus een bewuste keuze van de wetgever geweest. De A-G is van mening dat de wetgever hier is gebleven binnen de hem toekomende ruime beoordelingsmarge. De beoordeling van een vermeende overschrijding van de opbrengstlimiet is in beginsel van feitelijke aard. De A-G meent dat uit de gedingstukken volgt dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast dat de opbrengstlimiet in onderhavige situatie is overschreden. De incidentele middelen falen hier en ook overigens. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van het College gegrond dient te worden verklaard en het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken