Conclusie A-G IJzerman 30 januari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:53
De gemeente Leiden heft binnenhavengeld van, onder meer, de eigenaar van een in het havengebied gelegen (woon)schip, ter zake van het gebruik van het havengebied en het genot van daarmee samenhangende door de gemeente verstrekte diensten. Belanghebbende was eigenaar van een woonboot, met ligplaats in het binnen de grenzen van de gemeente Leiden gelegen gedeelte van de Oude Rijn. Het perceel grond en water waar de woonboot lag, werd eerder, vanaf 1 januari 2001, door de Staat, krachtens een akte van verhuring, aan belanghebbende verhuurd, tegen een huursom van totaal € 60,49 per jaar. Naderhand heeft de Staat zijn rechten en plichten als verhuurder overgedragen aan de gemeente Leiden. Deze wilde af van de huursituatie, maar heeft die, kennelijk per abuis, gedurende de periode van 1 juli 2011 tot 1 juli 2014, bij gebreke van opzegging, laten voortbestaan. Wel heeft de Heffingsambtenaar inmiddels vanaf 2011 aan belanghebbende, ter zake van de door belanghebbende ingenomen ligplaats, elk kwartaal aanslagen binnenhavengeld opgelegd. Die belopen een veelvoud van de oorspronkelijke huursom. Belanghebbende is tegen de aanslagen voor kwartalen in de jaren 2011, 2012 en 2013 in bezwaar gekomen, op dezelfde gronden als welke hij in de onderhavige procedure heeft aangevoerd. De Heffingsambtenaar heeft belanghebbende bij uitspraak op de bezwaren over de eerdere jaren, bericht dat hij de bezwaargronden van belanghebbende ongegrond acht, maar heeft vanuit het oogpunt van behoorlijk bestuur de bezwaarschriften gegrond verklaard, gelet op de onduidelijke situatie die is ontstaan na de overname van de gronden / het water door de gemeente Leiden. Vervolgens heeft de gemeente Leiden aan belanghebbende de huur opgezegd per 1 juli 2014. Sindsdien resteert slechts de gemeentelijke heffing van binnenhavengeld. Op deze situatie ziet de onderhavige procedure. Na bezwaar en beroep is belanghebbende ook door het Hof in het ongelijk gesteld. Belanghebbende heeft tegen die uitspraak beroep in cassatie ingesteld, onder verwijzing naar alle eerdere ingediende gronden in het onderhavige geding tot en met het Hof. Dat kan volgens de A G de vraag oproepen of de in cassatie aangevoerde gronden toereikend zijn om dit beroep in cassatie ontvankelijk te achten. In deze procedure zijn, naar de A-G meent, als kenbron van de standpunten van belanghebbende te zien zijn pleitnota’s in beroep en in hoger beroep. De standpunten van belanghebbende zijn voorts kenbaar uit de processen-verbaal van de zitting bij de Rechtbank en bij het Hof, alsmede uit de uitspraak van het Hof. De A-G begrijpt het beroep in cassatie aldus dat daarmee wordt beoogd de uitspraak van het Hof in zijn geheel te bestrijden. Een en ander overziende meent de A-G dat belanghebbendes beroep in cassatie ontvankelijk te achten is. De A-G begrijpt dat belanghebbende klaagt over de volgende Hofoordelen: 1. Dat de onderhavige uitspraken op bezwaar bevoegdelijk zijn genomen. 2. Dat het voor het heffen bij wege van verordeningen, welke gebaseerd zijn op artikel 229, eerste lid, onder a en b, van de Gemeentewet, niet relevant is of de gemeente bezitter, laat staan eigenaar, is van de zaken, waarop die heffing ziet. Ook bestrijdt belanghebbende dat zijn ligplaats bij de Gemeente in beheer is. 3. Dat in casu met het vaststellen van de Verordeningen binnenhavengelden 2014 en 2015 het verbod van een onredelijke en willekeurige belastingheffing niet is geschonden. 4. Dat de gemeente Leiden met het vaststellen van die Verordeningen het zogenoemde ‘winstverbod’ niet heeft overschreden. 5. Dat de woonboot van belanghebbende een vaartuig is in de zin van de Verordeningen. Volgens de A-G slagen de tweede en de vierde klacht, althans gedeeltelijk. Overigens merkt de A-G op dat de stelling dat in een nieuwe gemeentelijke heffing, als ingevoerd na wijziging van privaatrechtelijke en overige verhoudingen, rekening zou moeten worden gehouden met onder de oude situatie geldende prijsverhoudingen, geen steun vindt in het recht. Belanghebbende heeft gesteld dat het onderhavige heffingsobject niet in beheer is bij de Gemeente, zoals vereist is ingevolge artikel 229, eerste lid, onder a, van de Gemeentewet. Het Hof heeft geoordeeld dat uit de stukken van het geding blijkt, dat het water waarin de woonboot is gelegen in beheer is bij de gemeente. De stelling van belanghebbende dat het water waarin de woonboot is gelegen in beheer is bij de provincie brengt het Hof zonder nader bewijs, hetwelk ontbreekt, niet tot een ander oordeel. Daarop ziet de tweede klacht. Het komt de A-G voor dat een redelijke verdeling van de bewijslast hier primair moet inhouden dat ingeval een belanghebbende stelt dat het beheer niet bij de gemeente ligt, de Heffingsambtenaar, die de partij is die beschikt over de gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van dat geschilpunt, de aangewezen partij is om hieromtrent inzicht te verschaffen. De A-G meent dat het Hof de bewijslast niet goed heeft verdeeld. Ook heeft de A-G niet kunnen vinden welk inzicht de stukken van het geding hier zouden kunnen brengen. De vierde klacht behelst dat de gemeente Leiden met het vaststellen van de verordeningen op grond waarvan binnenhavengeld wordt geheven, ‘het winstverbod’, ook wel aangeduid als ‘de opbrengstlimiet’, heeft overschreden. De eerdere verwerping van die stelling door het Hof, acht de A-G, processueel en anderszins, niet adequaat, zodat een en ander na verwijzing alsnog zal moeten worden uitgezocht en vastgesteld. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof Den Haag 10 augustus 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:2385
- Conclusie A-G IJzerman 2 december 2014, ECLI:NL:PHR:2014:2268
- HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:777
- HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:780
- HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2972
- HR 4 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0990
- HR 16 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM1236
- HR 14 augustus 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1943
- HR 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1968
- HR 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7771
- HR 4 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AP1951
- HR 10 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AF7505
- Hof Amsterdam 6 april 2004, ECLI:NL:GHAMS:2004:AP1047
- HR 30 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AI0753
- HR 5 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI5786
- Hof Arnhem 16 oktober 2002, ECLI:NL:GHARN:2002:AF1259
- HR 28 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6314
- HR 15 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5135
- HR 23 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2271
- HR 9 augustus 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1872