Conclusie A-G Niessen 19 december 2013, ECLI:NL:PHR:2013:2386
X drijft een rechtskundig adviesbureau. In de woning, die geheel in eigendom is bij zijn partner, gebruikt belanghebbende een werkruimte ten behoeve van zijn onderneming. De woning behoort niet tot het ondernemingsvermogen van belanghebbende. In geschil is of belanghebbende recht kan doen gelden op aftrek van kosten die verband houden met de werkruimte. De Inspecteur heeft deze aftrekpost geweigerd. De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. Het Hof heeft geoordeeld dat de werkruimte geen zelfstandig gedeelte van de woning vormt, zodat de kosten en lasten die verband houden met de werkruimte op grond van artikel 3.16, lid 1, Wet IB 2001 reeds om die reden niet aftrekbaar zijn. Over de klacht dat artikel 3.16 Wet IB 2001 belanghebbende ongunstiger behandelt dan ondernemers met werkruimte elders, kan het Hof geen oordeel geven omdat het hem niet vrij staat om formele wetgeving te toetsen op haar innerlijke waarde of billijkheid. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat er concreet vergelijkbare gevallen zijn waaruit ongelijke behandeling van gelijke gevallen aannemelijk is geworden, heeft belanghebbende onvoldoende aangedragen. Er is geen sprake van strijd met het vrij verkeer van goederen en diensten. A-G Niessen concludeert dat op dit moment geen aanleiding bestaat om terug te komen op het Harmonisatiewetarrest. Weliswaar lijkt de Hoge Raad in dat arrest de mogelijkheid open te laten dat hij op zeker moment anders zal beslissen wanneer in brede kring overeenstemming zou ontstaan over de wenselijkheid verandering te brengen in de plaats van de rechter in het Nederlands staatsbestel. Van een dergelijke brede instemming is geen sprake. Voorts kon het Hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting oordelen dat belanghebbendes ‘beroep op het gelijkheidsbeginsel onvoldoende onderbouwd’ was. Wel wordt gewezen op de mogelijkheid dat de belastingplichtige een woning heeft verworven die met het oog op het ondernemersbelang groter is dan hij louter rekening houdend met zijn financiële ruimte en overige persoonlijke omstandigheden zou hebben verworven. In dergelijke gevallen kan in beginsel aanleiding bestaan om de extra huisvestingskosten in aftrek toe te laten. In het onderhavige geval behoeft die discussie niet te worden gevoerd omdat belanghebbende louter heeft gesteld dat hij ‘een deel van het woongenot’ opoffert en niet dat sprake is van extra kosten in bedoelde zin. Ten slotte betreft de onderhavige regeling een zuiver interne aangelegenheid waarop de verkeersvrijheid uit het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie niet ziet. De conclusie strekt er toe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 22 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1209
- Hof Arnhem-Leeuwarden 26 maart 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ5777
- HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR1149
- HR 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5080
- HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4549
- Conclusie A-G Niessen 26 februari 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BG1168
- Rb. Arnhem 17 december 2009, ECLI:NL:RBARN:2009:BL2190
- HR 20 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9951
- HR 14 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0181
- HR 18 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR1860
- HR 8 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3495
- HR 21 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE8462
- HR 16 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5493
- HR 17 november 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5505
- HR 14 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD5725
- HR 8 juli 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3875
- HR 16 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9354
- HR 30 maart 1983, ECLI:NL:HR:1983:AW8924
- HR 30 januari 1974, ECLI:NL:HR:1974:AX4554