Conclusie A-G Wattel 26 juli 2013, ECLI:NL:PHR:2013:781
Verlaagd tarief (2%) overdrachtsbelasting bij verkrijging van “woningen in aanbouw”. Bouwgrond waarin nog geen fundering ligt maar wel een woning op zal verrijzen. Schending gelijkheidsbeginsel of discriminatieverboden? Beroep pas bij repliek op (kort gezegd) HvJEU Gemeente Maasdriel en de vrijstelling van art. 15(1)(a) Wet BRV. Feiten: De belanghebbende heeft op 10 november 2011 de onverdeelde helft verkregen van een bouwperceel. Hij heeft te dier zake 6% overdrachtsbelasting (€ 17.565) voldaan. In geschil is of het verlaagde tarief ad 2% toegepast moet worden dat de Staatssecretaris bij Besluit van 1 juli 2011 heeft goedgekeurd bij verkrijging van “woningen” en dat later met terugwerkende kracht wet is geworden ook voor woningen in aanbouw. De Rechtbank achtte belanghebbendes geval voor de toepassing van het Besluit niet feitelijk vergelijkbaar met verkrijging van bouwgrond waarop al wél de fundering voor een woning is aangebracht. Evenmin achtte de Rechtbank sprake van discriminatie in de zin van art. 26 IVBPR en 14 EVRM. In sprongcassatie handhaaft de belanghebbende zijn voor de Rechtbank betrokken stellingen dat het gelijkheidsbeginsel en de discriminatieverboden zijn geschonden. Bij tijdige aanvulling op repliek stelt hij voorts alsnog primair dat op grond van HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY2694, BTW was verschuldigd op zijn verkrijging, die immers een ‘bouwterrein’ betrof, zodat op grond van art. 15(1)(a) Wet BvR géén overdrachtsbelasting was verschuldigd. A-G Wattel ziet geen relevant verschil tussen de uitleg van de term ‘woningen’ in de parlementaire geschiedenis van de wijziging van art. 14 Wet BvR en de uitleg van die term in het Besluit, zodat zich geen van de wet afwijkend beleid voordoet en dus ook geen begunstigend beleid. Belanghebbendes grieven richten zich dus wezenlijk tegen de formele wet. Het door de wetgever gekozen onderscheid tussen een woning in aanbouw en een niet-woning door middel van het criterium ‘fundering moet gelegd zijn’ is een objectief en rationeel onderscheidingscriterium in het licht van het gerechtvaardigde doel van de maatregel (vlot trekken van de woningmarkt). Binnen de wide margin of appreciation die de wetgever alsdan heeft, kon hij redelijkerwijs belanghebbendes geval als niet-gelijk beschouwen aan een woning in aanbouw. Indien wél gelijkheid zou worden aangenomen, bestaat een rechtvaardiging voor het onderscheidingscriterium, nl. de noodzaak om het bereik van een fiscale stimuleringsmaatregel ergens rationeel af te bakenen. Dat sprake zou zijn – bezien vanuit de gerechtvaardigde ratio van de regeling – van een manifestly unreasonable en arbitrary resultaat, kan zijns inziens al helemaal niet gezegd worden. Uit HR 7 juni 2013, rolnr 12/00765, ECLI:NL:HR:2013:BY2694, volgt dat een bouwterrein ex art. 11(4) Wet OB is een terrein ter zake waarvan uit een beoordeling van alle omstandigheden – met inbegrip van de intentie van partijen, mits deze wordt ondersteund door objectieve gegevens – volgt dat het op leveringsdatum daadwerkelijk is bestemd om te worden bebouwd. Uit de feiten volgt – en niet in geschil is – dat aan de belanghebbende grond is geleverd die op leveringsdatum daadwerkelijk was bestemd te worden bebouwd. In het licht van de rechtspraak was over die levering dan omzetbelasting verschuldigd en was zij daarom ex art. 15(1)(a) Wet BRV vrijgesteld van overdrachtsbelasting. Belanghebbendes beroep op deze rechtspraak wijzigt het geschil echter en is pas gedaan ruim buiten de termijn voor motivering van zijn cassatieberoep, dat deze argumentatie niet bevatte. Zijn nieuwe klacht is daarom te laat, tenzij van ambtswege vernietigd zou worden, hetgeen echter niet voor de hand ligt omdat aan de belanghebbende niet de omzetbelasting in rekening is gebracht die hem volgens zijn eigen stelling wél in rekening gebracht had moeten worden. Conclusie: cassatieberoep ongegrond
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7863
- HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2818
- Conclusie A-G WATTEL 14 juni 2013, ECLI:NL:PHR:2013:CA2818
- HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY2694
- HR 21 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9867
- Rb. 's-Gravenhage 15 november 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BY7101
- Rb. Arnhem 7 augustus 2012, ECLI:NL:RBARN:2012:BX3580
- HR 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5080
- HR 17 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1713
- HR 15 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3990
- HR 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7103
- HR 10 augustus 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB3243