Conclusie A-G Niessen 27 maart 2014, ECLI:NL:PHR:2014:305
Belanghebbende is voornemens op zijn perceel een woning te bouwen. In het onderhavige belastingjaar heeft belanghebbende nog enkel voorbereidingshandelingen verricht. Zo is een bouwvergunning eerste fase verleend en heeft belanghebbende een bouwvergunning tweede fase aangevraagd. In geschil is of sprake is van een ‘woning in aanbouw’ als bedoeld in artikel 3.111, lid 3, Wet Inkomstenbelasting 2001 zodat de financieringskosten in aftrek kunnen worden genomen in box 1. De Rechtbank was van oordeel dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat de woning uitsluitend was bestemd om ultimo 2009 aan belanghebbende als eigen woning ter beschikking te staan en dat belanghebbende bovendien voldoende voorbereidingshandelingen heeft getroffen zodat sprake is van een ‘woning in aanbouw’. Het Hof was van oordeel dat het met het oog op de bouw van de woning verrichten of verricht zijn van louter administratieve voorbereidingen niet gelijk is te stellen met activiteiten die zijn te duiden als bouwrijp maken, bouw of verbouw. Zodanige voorbereidingen brengen niet mee dat kan worden gesproken van een woning in aanbouw, aldus het Hof. A-G Niessen meent dat drie momenten in principe in aanmerking komen om het startpunt te markeren voor een ‘woning in aanbouw’. Het eerste is dat waarop de belanghebbende de grond verwerft waarop hij voornemens is een woning te bouwen. Het tweede moment is dat waarop niet alleen het oogmerk van de belanghebbende vaststaat, doch ook de grond bouwrijp is en de omgevingsvergunning bouw als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, sub a Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verkregen. De derde mogelijkheid is om aan te sluiten bij de start van de feitelijke bouwactiviteiten, dat wil zeggen zodra wordt aangevangen met heien of het leggen van de fundering. Hoewel de ratio van de regeling, zoals deze volgt uit de parlementaire geschiedenis, aanleiding kan geven om reeds bij optie 1 van een woning in aanbouw te spreken, meent de A-G dat vanwege het gewicht van andere aanwijzingen een andere keuze moet worden gemaakt. Voor optie 3 pleiten het taalgebruik en de aansluiting bij de regelingen in de onroerendezaakbelastingen en de overdrachtsbelasting. Derhalve is sprake van een ‘woning in aanbouw’ zodra wordt aangevangen met het heien of het leggen van de fundering voor het desbetreffende gebouw, aldus de A-G. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 6 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1434
- HR 6 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1435
- Conclusie A-G Wattel 26 juli 2013, ECLI:NL:PHR:2013:781
- ABRvS 12 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2986
- Hof Amsterdam 25 april 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:CA2688
- Hof Den Haag 24 april 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:1689
- HR 26 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO5028
- Hof 's-Gravenhage 16 maart 2010, ECLI:NL:GHSGR:2010:BM1390
- Rb. 's-Gravenhage 15 juli 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ3771
- Hof Leeuwarden 3 april 2009, ECLI:NL:GHLEE:2009:BI0358
- Rb. Breda 11 maart 2009, ECLI:NL:RBBRE:2009:BI0218
- Conclusie A-G OVERGAAUW 25 januari 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BB4400
- Conclusie A-G OVERGAAUW 25 januari 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BB4406
- Rb. Leeuwarden 16 november 2007, ECLI:NL:RBLEE:2007:BB8635
- Rb. Haarlem 28 april 2006, ECLI:NL:RBHAA:2006:AW7214
- HR 12 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU0874