Conclusie A-G IJzerman 18 november 2013, ECLI:NL:PHR:2013:1367

A-G IJzerman heeft conclusie genomen naar aanleiding van het beroep in cassatie van [X], belanghebbende, tegen de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 18 april 2013, nr. 12/00496, ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ7841, VN 2013/19.25. De oorspronkelijke inzet van deze zaak van de rechtbank te Breda is, kort gezegd, of toepassing van het internationaal verankerde gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod betekent dat ook particuliere verkrijgingen krachtens erfrecht of schenking, moeten delen in de gefacilieerde wettelijke behandeling bij verkrijging van ondernemingsvermogen, bekend als de bedrijfsopvolgingsfaciliteit, de BOF. De A-G meent dat er in casu geen sprake is van schending van enig internationaal discriminatieverbod. Dit gezegd zijnde gaat het in deze conclusie verder om een behandeling binnen Nederlands belastingrecht. Deze casus omvat bijzondere omstandigheden, zoals ook door de Rechtbank is opgemerkt: belanghebbende heeft ‘onder meer landbouwgronden (…) verkregen die al (via de pacht) in zijn onderneming in gebruik waren en dus tot zijn ondernemingsvermogen behoren, en tot de nalatenschap [behoren] geen liquiditeiten (…) waarmee hij het over de verkrijging verschuldigde successierecht kon betalen.’ Die omstandigheden roepen volgens de A-G de vraag op of een meer op de wetshistorie en de doelstellingen van de BOF gerichte wetsinterpretatie er toe zou kunnen leiden dat het geval van belanghebbende, ondanks dat dit minder steun heeft in de wettekst, ook onder het toepassingsbereik van de BOF te brengen is. Op die vraag is deze conclusie toegespitst. Vóór 2004 vormde het door belanghebbende verkregen vermogen voor erflater ondernemingsvermogen. Erflater heeft zijn onderneming in 2004 gestaakt. Belanghebbende gebruikte kennelijk sindsdien, dus reeds voor het overlijden van erflater in 2007, een bepaald deel van het voormalige ondernemingsvermogen in zijn eigen onderneming. Na het overlijden van erflater is het door belanghebbende verkregen voormalige ondernemingsvermogen van erflater direct tot belanghebbendes ondernemingsvermogen gaan behoren. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de BOF zijn rechtvaardiging vindt ‘in het algemeen belang dat gemoeid is met de continuïteit van ondernemingen.’ Het komt de A-G niet als illusoir voor dat in een geval als dat van belanghebbende de continuïteit van een onderneming in gevaar kan komen door de heffing van erfbelasting; het effectieve tarief beloopt in het geval van belanghebbende, als achterneef van erflater, 57,2%. Hier lijkt aldus sprake van een door de heffing van successierecht opgeroepen continuïteitsrisico waartegen de wetgever met de invoering en uitbreiding van de BOF soelaas heeft willen bieden. De ratio van de BOF is volgens de A-G in principe objectief; het gaat om het fiscaal faciliëren van de voortzetting van bestaande familiebedrijven. In zoverre zou het geval van belanghebbende, naar het de A-G voorkomt, onder de BOF te vatten zijn. De wettekst is echter zo geredigeerd dat belanghebbendes geval daar bij grammaticale interpretatie niet onder valt. De vermogensbestanddelen waarop de BOF ziet zijn, kort gezegd, de bestanddelen van een onderneming van de erflater of schenker die door de verkrijger rechtstreeks worden voortgezet. Uit de wetgeschiedenis is volgens de A-G niet op te maken dat de wetgever heeft voorzien dat zich een geval van als dat van belanghebbende zou kunnen voordoen, maar zo’n geval bewust buiten het toepassingsbereik van de BOF heeft gehouden. In zoverre zou er dus ruimte zijn om de wettekst meer naar de objectieve strekking uit te leggen. De A-G meent echter dat de wettekst geen ruimte laat om onder ‘in de verkrijging begrepen vermogensbestanddelen’ bestaande uit ‘bestanddelen van het vermogen van een onderneming van een ondernemer’, ook het onderhavige geval te begrijpen. Voor het overlijden van de erflater waren de ‘bedrijfsmiddelen’ immers eigendom van erflater. Deze had zijn onderneming gestaakt, zodat het verkregene bij hem geen ondernemingsvermogen meer vormde. Ook al verkrijgt een ondernemende erfgenaam weliswaar vermogensbestanddelen die door hem zowel reeds voor als ook na het overlijden van erflater worden gebruikt in de onderneming van de verkrijger, dan nog geldt dat pas na de verkrijging de eigendom komt te berusten bij de verkrijger. Dat betekent dat de verkregen vermogensbestanddelen pas na verkrijging (weer) deel gaan uitmaken van een onderneming, namelijk die van de verkrijger, belanghebbende. Aldus moet, naar de A-G meent, worden geconstateerd dat de verkrijging van belanghebbende niet is te begrijpen onder de onder de BOF gefacilieerde verkrijgingen. Bovendien stuit deze verkrijging, naar het de A-G voorkomt, op een tweede wettelijke belemmering. Aan toepassing van de BOF is immers de voorwaarde gesteld dat de onderneming van de erfgenaam moet kunnen worden gezien als een rechtstreekse voortzetting van de onderneming die eerder door de erflater werd gedreven. Dat sluit volgens de A-G aan bij de ratio van de BOF: het fiscaal faciliëren van de voortzetting van bestaande familiebedrijven. In casu heeft het Hof vastgesteld dat erflater een landbouwonderneming dreef en dat deze onderneming niet door belanghebbende of een ander is voortgezet. Belanghebbende dreef vanaf 2003 een grond- en bestratingsbedrijf. De A-G meent dat daarmee vaststaat dat er (ook economisch) geen sprake is van een bedrijfsopvolging als bedoeld in de wet. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken