Conclusie A-G IJZERMAN 30 september 2013, ECLI:NL:PHR:2013:862
A-G IJzerman heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 13/02453 naar aanleiding van het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 maart 2013, nr. AWB 12/6433, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ8593. Heden zijn conclusies genomen in de zaken met de nummers 13/01154, 13/01160, 13/01161, 13/01622 en 13/02453. Deze zaken zien, kort gezegd, op de vraag of toepassing van het internationaal verankerde gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod betekent dat ook (bepaalde) particuliere verkrijgingen krachtens erfrecht of schenking, moeten delen in de gefacilieerde wettelijke behandeling bij verkrijging van ondernemingsvermogen, bekend als de bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOF). Voor beschouwingen dienaangaande zij verwezen naar de gemeenschappelijke bijlage. In de bijlage is de A-G tot de conclusie gekomen dat de Nederlandse wetgeving voor wat betreft de BOF met zich meebrengt dat die in strijd is met het internationaal verankerde gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod voor zover de ingevolge de BOF wettelijk voorziene vrijstellingen van (thans) erfbelasting of schenkbelasting in een bepaald jaar hoger uitkomen dan tot op 75% van het verkregen ondernemingsvermogen. Dat betekent zijns inziens dat rechtsherstel ten gunste van de verkrijgers van niet-ondernemingsvermogen aldus dient plaats te vinden dat bij hen (eveneens) vrijstelling wordt verleend naar de mate waarin in het jaar van verkrijging de BOF voorziet in een hogere wettelijke vrijstelling dan voornoemde 75%. Aangezien in casu de wettelijke verdeling van toepassing is, zijn aan belanghebbende alle goederen van de nalatenschap, na uitvoering van de sublegaten, toebedeeld, waaronder ondernemingsvermogen. Omdat belanghebbende de onderneming niet heeft voortgezet maar heeft verkocht, dus uiteindelijk geen recht op de BOF behoudt, is bij aanslagregeling dat eindresultaat meteen verwerkt. De A-G neemt aan dat als zou zijn voldaan aan de voortzettingseis van de BOF, de vrijstelling (in het onderhavige geval 75% van € 5.000.000 aan ondernemingsvermogen, derhalve € 3.750.000) ruim genoeg was geweest om belanghebbendes verkrijging volledig vrij te stellen. Dat er in casu toch successierecht is geheven heeft niet te maken met het onderscheid tussen ondernemingsvermogen en niet-ondernemingsvermogen, maar met het niet voldoen aan de voortzettingseis. Belanghebbende is volgens de A-G in vergelijking met andere verkrijgers van ondernemingsvermogen niet ongelijk behandeld, ook al is formele toepassing van de BOF in de aanslagregeling achterwege gelaten; de BOF is, met alle daaraan verboden voorwaarden, materieel wel toegepast. Voor elke verkrijger van ondernemingsvermogen geldt dat de BOF-vrijstelling onder voorwaarde van voortzetting wordt verleend. Het onderhavige geval betreft in dat opzicht geen ongelijke, maar gelijke behandeling. In de gemeenschappelijke bijlage heeft de A-G betoogd dat als men de BOF in een bepaald geval wil toetsen aan het internationale gebod tot gelijke wettelijke behandeling en discriminatieverbod, als uitgangspunt het stelsel van de Successiewet moet worden genomen, waarin in principe elke verkrijging krachtens erfrecht of schenking belast is. In dat opzicht is het geval van belanghebbende zowel gelijk aan gevallen van andere verkrijgers van ondernemingsvermogen, als aan gevallen van verkrijgers van niet-ondernemingsvermogen. Vergeleken met gevallen van andere verkrijgers van ondernemingsvermogen betreft het onderhavige geval derhalve gelijke behandeling van gelijke gevallen. Indien de Hoge Raad in de gevallen waarin geen sprake is van verkrijging van ondernemingsvermogen tot het oordeel komt dat er sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel en daarbij rechtsherstel verleent, kan daardoor weer ongelijkheid ontstaan tussen die gevallen en gevallen als dat van belanghebbende. Dat doet zich voor als de Hoge Raad gevallen waarin geen sprake is van ondernemingsvermogen een vergelijkbare vrijstelling verleent, zonder daaraan een voortzettingseis te verbinden, hetgeen de A-G alsdan juist lijkt. In dat geval zou belanghebbende zijns inziens recht hebben op gelijke behandeling en eenzelfde vrijstelling toegekend moeten krijgen als die aan de gevallen waarin geen sprake is van ondernemingsvermogen wordt toegekend. In de gemeenschappelijke bijlage heeft de A-G betoogd dat de vrijstelling van 75% voor ondernemingsvermogen nog binnen de aan de wetgever toekomende wide margin of appreciation valt, zodat er geen sprake is van schending van het volkenrechtelijke gelijkheidsbeginsel. Daarvan uitgaande doet zich geen verdragsrechtelijk gegronde discriminatie voor in de gevallen waarin geen sprake is van verkrijging van ondernemingsvermogen in de jaren gelegen vóór 2010, derhalve met inbegrip van het onderhavige jaar 2009. Daarmee is er in casu volgens de A-G geen sprake van discriminatie, dus is er geen reden voor rechtsherstel in de vorm van toekenning van enige nadere vrijstelling. Het eerste middel faalt, maar het tweede slaagt, zodat het derde geen verdere behandeling meer behoeft. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van de Staatsecretaris gegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Conclusie A-G WATTEL 14 juni 2013, ECLI:NL:PHR:2013:CA2818
- Rb. Zeeland-West-Brabant 29 maart 2013, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ8593
- Rb. Noord-Holland 14 februari 2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ2255
- Rb. Oost-Nederland 29 januari 2013, ECLI:NL:RBONE:2013:BZ5256
- Rb. Haarlem 14 december 2012, ECLI:NL:RBHAA:2012:BY9901
- Rb. Breda 13 juli 2012, ECLI:NL:RBBRE:2012:BX3386
- HR 10 augustus 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4768
- HR 8 juli 2005, ECLI:NL:HR:2005:AQ7212
- Europees Hof voor de Rechten van de Mens 29 januari 2002, ECLI:NL:XX:2002:AV2010
- HR 14 juli 2000, ECLI:NL:HR:2000:BI7527
- HR 12 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2756
- HR 15 juli 1998, ECLI:NL:HR:1998:AC4289
- HR 30 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5110
- HR 11 december 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC4814
- HR 27 september 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC4110