Conclusie A-G IJZERMAN 30 september 2013, ECLI:NL:PHR:2013:859
A-G IJzerman heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 13/01160 naar aanleiding van het beroep in cassatie van [X], belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van 29 januari 2013, nr. AWB 12/5949, ECLI:NL:RBONE:2013:BZ2716. Heden zijn conclusies genomen in de zaken met de nummers 13/01154, 13/01160, 13/01161, 13/01622 en 13/02453. Deze zaken zien, kort gezegd, op de vraag of toepassing van het internationaal verankerde gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod betekent dat ook (bepaalde) particuliere verkrijgingen krachtens erfrecht of schenking, moeten delen in de gefacilieerde wettelijke behandeling bij verkrijging van ondernemingsvermogen, bekend als de bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOF). Voor beschouwingen dienaangaande zij verwezen naar de gemeenschappelijke bijlage. In de bijlage is de A-G tot de conclusie gekomen dat de Nederlandse wetgeving voor wat betreft de BOF met zich meebrengt dat die in strijd is met het internationaal verankerde gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod voor zover de ingevolge de BOF wettelijk voorziene vrijstellingen van (thans) erfbelasting of schenkbelasting in een bepaald jaar hoger uitkomen dan tot op 75% van het verkregen ondernemingsvermogen. Dat betekent zijns inziens dat rechtsherstel ten gunste van de verkrijgers van niet-ondernemingsvermogen aldus dient plaats te vinden dat bij hen (eveneens) vrijstelling wordt verleend naar de mate waarin in het jaar van verkrijging de BOF voorziet in een hogere wettelijke vrijstelling dan voornoemde 75%. In casu heeft belanghebbende uit de nalatenschap van erflater geen ondernemingsvermogen verkregen. Dat betekent (nationaal) wettelijk dat enige vrijstelling ingevolge de BOF niet op de verkrijging van toepassing is. Indien belanghebbendes verkrijging geheel uit ondernemingsvermogen had bestaan, dan was daarvan 75% vrijgesteld geweest. In zoverre is hier dus sprake van ongelijke wettelijke behandeling. In de gemeenschappelijke bijlage heeft de A-G betoogd dat als men de BOF in een bepaald geval wil toetsen aan het internationale gebod tot gelijke wettelijke behandeling en discriminatieverbod, als uitgangspunt het stelsel van de Successiewet moet worden genomen, waarin in principe elke verkrijging krachtens erfrecht of schenking belast is. In dat opzicht is het geval van belanghebbende gelijk aan gevallen van verkrijgers van ondernemingsvermogen. Het onderhavige geval betreft derhalve ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Op zichzelf zou in de door de wetgever aangevoerde rechtvaardiging, het wegnemen of voorkomen van liquiditeitsproblemen bij vererving van ondernemingsvermogen, naar het de A-G voorkomt, voor ongelijke behandeling een objectieve en redelijke rechtvaardiging gelegen kunnen zijn; de A-G twijfelt echter aan de juistheid en zuiverheid van de in de BOF gegeven uitwerkingen, vooral in het kader van de voortdurende uitbreiding daarvan. In dit kader komt de wetgever een ‘wide margin of appreciation’ toe. In de gemeenschappelijke bijlage heeft de A-G uiteengezet dat hij gezien die ruime beoordelingsvrijheid van mening is dat een vrijstelling van 75% nog niet ‘manifestly without reasonable foundation’ is. In het onderhavige jaar 2009 was wettelijk sprake van een BOF-vrijstelling van 75%, zodat in casu volgens de A-G nog geen sprake is van schending van enig verdragsrechtelijk of internationaal publiekrechtelijk gelijkheidsbeginsel door de Nederlandse wetgever. Het eerste en het tweede middel stuiten daarop af. Met het derde middel stelt belanghebbende de vraag aan de orde of de wetgever bij de bepaling van de hoogte van de toepasselijke tarieven zijn ruime beoordelingsvrijheid heeft overschreden, zodat er sprake zou zijn van een excessieve last voor belanghebbende. Het komt de A-G evenwel voor dat artikel 1 Eerste Protocol EVRM, voor zover hier van belang, in de weg staat aan belastingheffing indien die niet rechtsgeldig is, geen enkel legitiem doel dient of als heffing totaal excessief te achten is. Daarvan is hier volgens de A-G echter geen sprake, zodat het derde middel faalt. Het vierde middel bevat een motiveringsklacht. Volgens belanghebbende heeft de Rechtbank de conclusie dat het gelijkheidsbeginsel toepassing mist, op onbegrijpelijke wijze gemotiveerd met het argument dat de wetgever een gerechtvaardigd doel voor ogen had en zijn ruime beoordelingsmarge niet heeft overschreden. Volgens belanghebbende kan een rechtvaardigingsgrond pas worden aangevoerd als er sprake is van gelijke gevallen die, naar de A-G aanneemt, wettelijk ongelijk worden behandeld. Dat lijkt de A-G als maatstaf juist. De Rechtbank is er naderhand echter veronderstellenderwijs vanuit gegaan dat er wel sprake is van gelijke gevallen. De toets die de Rechtbank vervolgens in rechtsoverweging 4.6 heeft aangelegd acht de A-G juist en niet onbegrijpelijk gemotiveerd. Daarop strandt het vierde middel. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Conclusie A-G WATTEL 14 juni 2013, ECLI:NL:PHR:2013:CA2818
- Rb. Noord-Holland 14 februari 2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ2255
- Rb. Oost-Nederland 29 januari 2013, ECLI:NL:RBONE:2013:BZ2716
- Rb. Oost-Nederland 29 januari 2013, ECLI:NL:RBONE:2013:BZ5256
- Rb. Haarlem 14 december 2012, ECLI:NL:RBHAA:2012:BY9901
- Rb. Breda 13 juli 2012, ECLI:NL:RBBRE:2012:BX3386
- HR 10 augustus 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4768
- HR 8 juli 2005, ECLI:NL:HR:2005:AQ7212
- Europees Hof voor de Rechten van de Mens 29 januari 2002, ECLI:NL:XX:2002:AV2010
- HR 14 juli 2000, ECLI:NL:HR:2000:BI7527
- HR 12 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2756
- HR 15 juli 1998, ECLI:NL:HR:1998:AC4289
- HR 30 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5110
- HR 11 december 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC4814
- HR 27 september 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC4110